Uitgesproken in de abdijkerk van Averbode op zondag 19 augustus 2007
Lezingen:
Jer. 38, 4-6.8-10
Hebr. 12, 1-4
Lc. 12, 49-53
Vuur ben Ik op aarde komen brengen, zegt de Heer. En geen vrede, maar verdeeldheid…
Een boodschap die we misschien niet echt verwacht hadden. We zijn eerder gewend troostende en hoopvolle woorden te horen, boodschappen van rust en vrede, van verkwikking en verzoening. Zo komen de lezingen van deze zondag wel érg hard aan.
Wanneer we deze evangelielezing op haar plaats leggen, als een klein stukje van het Lucasevangelie, komt er wel meer duidelijkheid in de zaak.
Het is namelijk niet de eerste keer dat er in het evangelie over vuur gesproken wordt. Het begon al met de verkondiging door Johannes de Doper: na mij komt iemand die zal dopen met de heilige Geest en met vuur.
Vuur heeft in de bijbel vaak de betekenis van reiniging, zuivering. Ook metaal wordt in de vuuroven gesmolten en gezuiverd. Spreekt de kerkelijke traditie ook niet van “het vagevuur” als plaats van loutering en zuivering?
Voor veel mensen komt dat beeld van vuur dat ons zuivert nogal pijnlijk over. Laat ik er een ander beeld naast leggen. Stel u voor dat wij allemaal kleine stukjes ruw glas zijn. Gods liefde is als een onmetelijke bron van licht en warmte. God wil niets liever dan ons helemaal doorstralen met zijn Liefde, met zijn Licht. Maar in glas zitten vaak ook onzuiverheden. En hoe feller het licht, hoe beter je die onzuiverheden kan zien. En Gods liefde is zo sterk, dat die oneffenheden uit ons weggebrand zullen worden. Maar dat gebeurt natuurlijk niet gevoelloos. Het eindpunt van dit louteringsproces is dus wél vrede, maar de weg is niet zonder moeilijke momenten. Wanneer we onszelf tegenover God durven plaatsen, wanneer we met Zijn ogen naar ons leven durven kijken, zullen we in de eerste plaats weer met liefde naar onszelf kunnen kijken. Want God bemint ons. Maar als we eerlijk kijken, zullen we ook zien dat we in woorden en gedachten, in doen en laten die liefde aan de kant hebben geduwd, geblokkeerd hebben. Dat diepe besef kan ons tot berouw en bekering brengen.
Voor bekering is het nooit te laat. Het is een proces dat heel wat moeite vraagt. Zelfs voor Jezus, de zoon van God, de aanvoerder en voltooier van ons geloof, was het geen gemakkelijke opdracht vol te houden in tegen de bekoringen en stand te houden in de beproevingen. Maar Hij is de weg ten einde toe gegaan. In het evangelie van deze zondag hoorden we hoe Hij zich bewust was van het doopsel dat Hij moest ondergaan. Zoals Jezus bij zijn doopsel door het water moest gaan, is Hij ook door de dood gegaan. Hijzelf gaf toe dat Hij zich daardoor beklemd en angstig voelde, maar Hij koos niet voor de eenvoudigste weg. Hij stierf de vernederende dood op het kruis. En Hij is opgestaan en zit aan Gods rechterhand.
Daarom mogen ook wij de moed nooit opgeven. “Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost.”, hoorden we. Aan de ene kant kan dit een licht verwijt zijn: we kunnen nog veel meer moeite doen. Aan de andere kant kan het ook een woord van troost zijn: God laat ons niet in de steek. Hij zendt ons zijn heilige Geest, die ons sterk maakt. We zullen de wedstrijd van het leven kunnen uitlopen zonder bloedvergieten.
Jezus was zich bewust van het feit dat zijn boodschap zowel in onszelf als tussen mensen verdeeldheid zou brengen. Want niet alleen in ons hart ontstaat er de spanning tussen het kiezen voor het Rijk Gods en de zelfzucht. Ook tussen mensen onderling ontstaat er spanning, tussen gelovigen en ongelovigen. Zelfs tussen de mensen die elkaar het meest nabij zijn, ouders en kinderen, familieleden heeft Jezus’ boodschap verdeeldheid gebracht, tot op de dag van vandaag. Want het is onmogelijk “maar een beetje” voor Jezus te kiezen. Christen zijn is een kwestie van bekering, van een fundamentele keuze, van een onverdeeld ‘ja’. En niet iedereen zegt ‘ja’ op de uitnodiging van God.
Dat wil niet zeggen dat er ruzie moet zijn tussen gelovigen en ongelovigen. Christenen zijn geroepen om in respect en vrede te leven met anders- of niet-gelovigen.
Maar er zal wel verdeelheid of onderscheid zijn: je bent christen of je bent het niet. Dat betekent op zijn beurt dan weer niet dat het met één stap in orde is. “Het leven is een strijd”, zegt de volksmond, en dat is voor een christen niet minder het geval. De auteur van de Hebreeënbrief roept ons op tot vastberadenheid in het geloof. We mogen er immers op vertrouwen dat we er niet alleen voorstaan: Jezus is in trouw de weg ten einde toe te gaan, om voor ons de Weg te worden. Zijn Geest staat ons bij om moed te houden. Zijn liefde zal ons louteren als vuur. En ook wijzelf kunnen elkaar steunen en dragen in dat geloof. Daartoe zijn we hier samen, om dankbaar te belijden dat we ons vertrouwen stellen op God. Christus zelf wil ons tot voedsel zijn in de gaven van de eucharistie. Moge Hij ons sterken om de moed te bewaren en het goede te kiezen, alle dagen van ons leven. Amen.
0 Reacties tot “Homilie – 20e zondag door het jaar C”