Homilie – 21e zondag door het jaar C

Uitgesproken tijdens de eucharistieviering op zondag 26 augustus 2007 in de kerk van Sint-Theresia Bund Ekeren

Lezingen:
Jesaja 66, 18-21
Lucas 13, 22-30

Zijn het er weinig die gered worden? Deze vraag klinkt ons wellicht pessimistisch in de oren. Spontaan zouden we vragen: zijn het er véél die gered worden? En naar gewoonte geeft Jezus geen rechtstreeks antwoord, maar vertelt Hij een parabel. Jezus waarschuwt ervoor dat we de boot niet missen. Als de deur dicht is, zal de huisvader de laatkomers niet meer binnenlaten, met welke argumenten ze ook komen. Geen bemoedigende en geruststellende boodschap…
Dit is al de derde zondag op rij dat we Jezus in het evangelie een oproep horen doen tot waakzaamheid. Wees niet gerust, wees niet lauw. Denk niet te gauw dat het allemaal maar vanzelf zal gaan.
Dikwijls interpreteren we de uitspraak van Jezus “er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn” als een omkering van het onrecht: de armen zullen bij God hoog in aanzien zijn.
Maar in deze evangelielezing gaat het om een haast grimmige waarschuwing: het is niet omdat je nu bij de eersten bent, dat je dat later ook zal zijn. Ook niet als het over geloof gaat. Want je moet waakzaam blijven. Het gaat niet om één prima prestatie, maar om een volgehouden levenshouding. De huisvader in de parabel stuurt de laatkomers weg met de woorden “gaat weg, gij die ongerechtigheid bedrijft”. Een niet mis te verstaan verwijt.
Jezus wijst zijn tijd- en geloofsgenoten terecht. Bepaalde joden dachten dat ze, door zo nauwkeurig mogelijk Gods Wet en alle mogelijke regeltjes te vervullen, hun gerechtigheid bij God konden verdienen, ja bijna afkopen. Maar God is geen genadewinkel. Hij bemint ons niet omdat wij zo fantastisch zijn. Hij beminde ons al lang voordat wij ooit iets van Hem gehoord hebben. Hij heeft ons het éérst bemind, om niet, gratis, zonder tegenprestatie.
Maar zijn liefdesaanbod verwacht een antwoord. Geen korte, spectaculaire heldendaad, maar een bekering van heel je leven. Een verbond tussen God en de mensen.

De eerste lezing versterkt dit beeld nog eens. God kondigt aan dat hij alle volken en talen bijeen zal roepen, dat zij zullen komen en zijn heerlijkheid zullen zien.
Dat kan ons erg tegen de borst stuiten: wij, die geloven, zijn toch de uitverkorenen? Zo dachten de joden ook: wij zijn het volk van God… en op zich was dat ook zo: God hééft het volk Israël uitgekozen tot zijn eigen bezit, tot zijn heilig volk. Maar “heilig” betekent niet dat zij beter zijn. “Heilig” betekent in de eerste plaats: aan God toegewijd. Israël is een heilig volk, maar dat wil niet zeggen dat ze volmaakt zijn. Ze behoren God toe op een bijzondere manier, volgens de belofte die de Heer aan Abraham deed. Maar dat wil niet zeggen dat alle andere volkeren op de wereld niets met God te maken heeft.
En dat is juist wat ons kan ergeren in de eerste lezing: het gaat tegen ons rechtvaardigheidsgevoel in. God kiest zelf, als soevereine Heer, wie Hij uitverkiest om zijn heerlijkheid te zien. De mens kan daar met zijn verstand niet bij. En dat hoeft ook niet. God heeft ons de heilige Geest geschonken, opdat we er met ons hart mee zouden kunnen instemmen.
De lezingen van deze zondag willen ons op onze plaats zetten: God kiest zelf wie Hij tot zijn heerlijkheid toelaat. Wij moeten niet op onze lauweren rusten, maar zo trachten te leven dat we die heerlijkheid waardig zijn. De heilige Geest zal ons daarbij helpen, zodat we de gerechtigheid beoefenen, niet alleen voor het oog van de mensen, maar met heel ons hart en heel ons leven.
Maar we mogen niet oordelen over de vraag of anderen, onze medemensen in het algemeen, maar vooral wie anders gelooft of anders denkt, al dan niet Gods goedheid “verdient”. Wij mogen niet op Gods troon gaan zitten en in zijn plaats oordelen over de wereld. Dat komt alleen Hem toe. Dàt is de valkuil waarvoor Jezus ons deze zondag waarschuwt: de hoogmoed.
Wie zichzelf gerechtig acht, zal de minste zijn voor God.
Het is zoals de Farizeeër en de tollenaar, die in de tempel gaan bidden. De Farizeeër dankt God, want hij leeft volmaakt volgens de wet, schenkt zijn geld weg aan de armen. Hij is heel tevreden over zichzelf en is blij dat hij niet is zoals die tollenaar achteraan, een zondaar, een verrader. En de tollenaar blijft achteraan in de tempel. Hij heeft de Farizeeër niet eens gezien, hij durft zijn ogen niet eens opslaan. En hij spreekt geen grote en hoogdravende gebeden uit. Hij prevelt alleen maar: Heer, wees mij, zondaar, genadig. En, zo vult Jezus aan, die tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis. Niet de Farizeeër.

Zijn het er weinig die gered zullen worden? Als we luisteren naar Jezus’ woorden, waakzaam blijven over onze eigen levenswandel en geen oordeel uitspreken over onze naaste, durf ik hopen dat het er niet weinig zullen zijn, maar zoals in het visioen van Jesaja: onnoembaar velen, van overal op aarde, van heel de mensheid, die de heerlijkheid van de Heer zullen mogen zien en eeuwig geluk zullen kennen. Amen.

1 Antwoord tot “Homilie – 21e zondag door het jaar C”


  1. 1 maria vijver woensdag 29 augustus 2007 at 20:11

    Ik kwam bij toeval op uw site terecht en heb de homilie met belangstelling gelezen. De homilie heeft altijd mijn grootste interesse omdat dit de weg is waardoor de geroepenen door Jezus het volk Zijn boodschap kan uitleggen. Wij weten echter dat dit niet altijd op die wijze is vertaalt naar het kerkvolk toe zoals Jezus het misschien bedoelt heeft. Voor onze Joodse” broeders en zusters’heeft dat door de eeuwen heen de nodige consequenties gehad zoals de geschiedenis heeft duidelijk gemaakt. Uw homilie heeft mij op een andere manier de boodschap laten verstaan. Hulde.Bekend met de Joodse traditie ben ik uitermate gevoelig voor ‘andere’uitleg zoals u misschien zult kunnen begrijpen.
    Hartelijke groet, Maria Vijver


Reageer




c

Bezoekers:

  • 51,633 pageviews

Archief