Uitgesproken tijdens de eucharistieviering in de abdijkerk van Averbode op zondag 21 oktober 2007
lezingen:
Ex. 17, 8-13
2 Tim. 3,14-4,2
Lc. 18,1-8proprium:
Ego clamavi
inleidingswoord
Broeders en zusters,
we mogen met blijdschap vervuld zijn op deze zondag, want de Heer heeft zich naar ons toegekeerd. Hij zal in de lezingen tot ons spreken, Hijzelf zal ons bedienen in deze heilige maaltijd. De Heer luistert naar onze gebeden. Zoals we zonet in het introïtus hebben gezongen: Hij beschermt ons als zijn oogappel, Hij beschermt ons met de schaduw van zijn vleugels. En Hij zendt ons tenslotte uit, om aan heel de schepping te verkondigen dat het Rijk Gods nabij komt.
In het bijzonder mogen we ons op deze missiezondag verbonden weten met de vele missionarissen die zich over de hele wereld inzetten voor die verkondiging van Gods Rijk. Laten we in het bijzonder bidden voor hen en voor de volkeren tot wie deze gelovige mannen en vrouwen gezonden zijn.
Aan het begin van deze viering keren we ons biddend tot de Heer, rouwmoedig om wat in ons eigen leven, in ons eigen hart, de komst van Gods Rijk belemmert of vertraagt.
Heer, Gij die ons hebt geleerd altijd te bidden, ontferm U over ons.
Christus, die uw leerlingen gezonden hebt om overal het hemels koninkrijk aan te kondigen, ontferm U over ons.
Heer, die ons door de kracht van de heilige Geest bijstaat in alle nood, ontferm U over ons.
homilie
Blijf zagen! Uiteindelijk krijg je je zin wel…
Broeders en zusters, wie dit als de uiteindelijke boodschap van de lezingen van deze zondag zou onthouden, neem het te eenvoudig op. Jezus wilde met de gelijkenis van de knorrige rechter inderdaad aan zijn leerlingen vertellen dat je onophoudelijk moet blijven bidden en dat je verhoord zal worden. Maar de meeste grootouders, ouders of oversten hier zouden het minder prettig vinden mocht Jezus hier een pleidooi houdt voor onbescheiden en volgehouden klaag- en zaagtaferelen. De weduwe dringt zo aan bij de rechter omdat ze gelooft dat hij haar uiteindelijk gerechtigheid zal verschaffen. Ze gelooft in de gerechtigheid. God –leert Jezus ons- , die veel minder knorrig en veel rechtvaardiger is, zal ons zo en nog veel meer verhoren.
We mogen bij God aankloppen met onze nood. En Hij zal naar onze verzuchtingen luisteren.
Maar… -zo besluit Jezus met een prangende vraag- zal de Mensenzoon bij zijn wederkomst geloof op aarde vinden?
En zo voert Hij zijn toehoorders meteen naar de kern van de zaak. Vanuit welke mentaliteit bidden wij? Proberen we met ons bidden God om te kopen, ja te chanteren? “Ik heb zoveel gebeden, nu kan Hij niet anders dan mij verhoren.” Is Gods liefde dan te koop? Was Hij ons niet al lang voor met zijn liefde, nog voor wij konden bidden?
Sommige mensen hebben misschien wel het gevoel dat ze bij God op een nukkige, traag reagerende rechter stuiten. Maar zegt dat niet eerder iets over hoe ze geloven in de kracht van het gebed? Bidden is geen financiële transactie, waarbij men God in de schulden werkt, die Hij alleen maar kan aflossen door onze zin te doen. Ons gebed is in de eerste plaats altijd een antwoord op Gods eerste stap.
Hij zal ons dus ook niet verhoren omdat wij blijven aandringen, om van ons gezaag vanaf te zijn. Hij zal ons verhoren omdat Hij ons liefheeft en omdat wij in die liefde geloven. Een gebed zonder geloof is bijna even zinloos als een zonnebank in de Sahara. Ons gebed moet juist voorspruiten uit onze innerlijke overtuiging dat Hij naar ons luistert, uit ons vertrouwen op Hem.
Deze uitspraken van Jezus zijn terug te vinden na een passage waarin Hij spreekt over de wederkomst van de Mensenzoon. Vorige week lazen we nog over de genezing van de tien melaatsen. Het stukje dat overgeslagen wordt, komt in de laatste weken door het jaar op een weekdag voor. Toch is het niet onbelangrijk te beseffen wat de context van deze parabel dus inhoudt: de komst van Gods Koninkrijk en de wederkomst van de Mensenzoon. Wanneer Jezus daarna dus vertelt dat we steeds moeten bidden en daarin niet versagen, gaat het niet om eender welk gebed. Hier spreekt Hij over ons bidden om de komst van het Rijk Gods. In het Onze Vader bidden we telkens weer “uw Rijk kome”. De parabel over de knorrige rechter leert ons dat God niet zal nalaten zijn Rijk ingang te doen vinden in deze wereld. Ons vertrouwvol gebed speelt een rol in de komst van Gods Rijk.
Maar bidden is niet de enige manier waarop Gods Rijk ingang kent. Al van in het begin van het christendom zijn bezielde mannen en vrouwen op tocht gegaan om te verkondigen wat zij geloofden en beleefden.
God is liefde. Jezus heeft ons met God verzoend door zijn dood aan het kruis. Zijn Geest bezielt allen die in Hem geloven om kinderen van God te worden, ongeacht onze afkomst, huidskleur, taal of geschiedenis.
Jezus’ boodschap is vanaf het begin doorverteld door mensen. Ze komt niet uit de lucht gevallen. Hij heeft zijn leerlingen opgedragen te verkondigen wie ze in Hem ontmoet hebben: de Heer, wiens Naam door alle volkeren geprezen zij.
Vaak wordt dit enthousiasme verward met fanatisme. Het is echter vanuit de dynamiek van hun eigen geloofsovertuiging en van hun liefde voor hun medemensen dat missionarissen hun leven geven om mee te delen waar ze zelf zo gelukkig door zijn.
Wij allen, ook de minder hevige verkondigers, worden aan het einde van elke eucharistieviering gezonden om te verkondigen. De woorden “gaat nu allen heen in vrede” sturen ons niet naar een luie stoel, maar dagen ons uit om de liefde van God uit te dragen naar alle hoeken en kanten van de wereld. Misschien niet altijd in woorden, maar vooral door onze daden. Door uw liefdevolle houding verkondigt u Gods Rijk en maakt u het voelbaar en zichtbaar voor mensen in nood, voor eenzamen en zieken, voor twijfelaars en vertwijfelden, voor jong en oud. Ons geloof moge ons daartoe altijd weer een bron van kracht en hoop zijn, die ons doet werken en bidden, een enthousiasme dat ons nu aanzet om zingend ons geloof te belijden in de Drie-Ene God.
0 Reacties tot “Homilie 29e zondag door het jaar C – missiezondag”