Homilie 2e zondag van Pasen A

Uitgesproken tijdens de eucharistieviering in de abdijkerk van Averbode op zondag 30 maart 2008.

Lezingen:
Hnd. 2,42-47
1 Pe 1, 3-9
Joh. 20, 19-31

‘Ontvang de heilige Geest. Wiens zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven.’

Eén van de grote mysteries van onze geloofstraditie is nauw verbonden met deze woorden. Pasen is een feest waarin zoveel verschillende facetten van ons geloof samenkomen, dat het boeiend kan zijn een minder belicht aspect eens te overwegen.

De vergeving van de zonden.

In onze geloofsbelijdenis komt die op het einde. Misschien is tegen dan onze aandacht weer verzwakt en spreken we die woorden minder bewust uit. Gods barmhartigheid heeft in de verkondiging van het evangelie nochtans een centrale plaats. Bij de genezing van de lamme zegt Jezus eerst: ‘uw zonden zijn u vergeven’ en pas later ‘sta op, neem uw bed en ga naar huis’.

In deze maatschappij is vergiffenis een heel onpopulair begrip geworden. Rechtvaardigheid wordt tegen vergeving uitgespeeld. Wie een fout maakte, moet boeten. Zo eenvoudig lijkt het. Toch denk ik dat vergeving en rechtvaardigheid geen tegengestelden hoeven te zijn.

In het credo belijden we één doopsel tot vergeving van de zonden. Het doopsel is mèèr dan een ritueel om iemand welkom te heten in onze geloofsgemeenschap. Het doopsel verandert onze relatie met God. Het neemt ons op in de liefdesdynamiek die er is tussen de Vader, de Zoon en de heilige Geest. We worden door het doopsel ledematen van het Lichaam van Christus en we ontvangen de heilige Geest. Diezelfde heilige Geest komt ook ter sprake bij het sacrament van de verzoening, dat we nog gemakkelijk aanduiden met de oude naam “de biecht”. Dat sacrament is een beetje ongelukkig terechtgekomen in een stoffig hoekje van ons gelovige leven. Bij de verzoening zegt de priester: God, de barmhartige Vader, heeft de wereld met zich verzoend door de dood en de verrijzenis van zijn Zoon, en de heilige Geest uitgestort tot vergeving van de zonden.

De heilige Geest – die soms wordt uitgelegd als de verpersoonlijkte liefdesband tussen de Vader en de Zoon ­- wordt aan ons, gelovigen, geschonken tot vergeving van de zonden.

Diezelfde woorden horen wij bij het Laatste Avondmaal en dus ook in elke eucharistieviering: dit is mijn Bloed, dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.

God zet zich zelf in om ons met Hem te verzoenen.

Het sacrament van de verzoening wil niet in de eerste plaats een uitnodiging zijn om beschaamd een opsomming te maken van alle zonden die we begaan hebben, in woorden en gedachten, in doen en laten… Zo’n belijdenis is belangrijk, want ze helpt ons afstand te nemen van onze zonden, ze een naam te geven en er in de toekomst voor op onze hoede te zijn. Maar als het sacrament van de verzoening bij een belijdenis, een biecht, zou blijven, zouden we machteloos in die cirkel van vallen en hervallen gevangen blijven. De verzoening die wij ontvangen in het doopsel en in het sacrament van de verzoening herstelt in Gods Geest onze relatie met Hem. Zijn liefde staat al klaar, nog voor wij naar Hem onderweg zijn, zoals de barmhartige vader in de parabel van de verloren zoon.

Maar ook als onze beschouwing hier zou stoppen, denk ik dat we een stukje zouden vergeten. Wat gebeurt er met ons leven wanneer we in die dynamiek van Gods liefde worden opgenomen? Dat konden we beluisteren in de eerste lezing. Lucas beschrijft in de Handelingen van de apostelen misschien wel een ideaalbeeld… maar het is een goed baken waarop we ons leven kunnen richten: de eerste christenen legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood. Met andere woorden: zij trachtten in verbondenheid met elkaar en met God te leven, ondermeer door het vieren van de eucharistie. En een beetje verder: ‘Allen die het geloof hadden aangenomen waren eensgezind.’ Ze bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg wat hij nodig had. Ze genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart.

Wie zich in Gods liefde geborgen weet, wordt uitgedaagd zich niet bezorgd te maken over zoveel dingen, maar in blijdschap en eenvoud van hart te leven. Niet als naïeve zwevers, maar als mensen die vanuit de verkondiging van het evangelie en vanuit hun doopsel leven in het besef dat God hen liefheeft. En dat God in die liefde ook al onze zonden vergeeft, wanneer wij ons tot Hem bekeren en ons met Hem en met elkaar verzoenen.

En dat Gods liefde daartoe in staat is, mogen we geloven vanuit de verrijzenis van de Heer, die we vandaag vieren. De opstanding van Jezus Christus uit de doden roept ons op tot een leven van hoop, schrijft Petrus. Want als we Gods liefde en barmhartigheid in ons leven een plaats geven, zal onze vreugde onuitsprekelijk, ja hemels zijn. Amen.

1 Antwoord tot “Homilie 2e zondag van Pasen A”


  1. 1 Yves woensdag 23 april 2008 at 15:14

    Mooi! Een verzoeningsmoment (of biecht, hoe je het ook wil noemen) kan bergen verzetten in iemands hoofd…


Reageer




c

Bezoekers:

  • 51,629 pageviews

Archief