Uitgesproken tijdens de jaarlijkse eucharistieviering met mijn familie op zaterdagavond 28 juni 2008 te Merelbeke.
Lezingen:
Handelingen 3,1-10
Johannes 21,15-19
Beste familieleden,
toen Paus Johannes Paulus II overleed, werd verteld dat er zich bij zijn aankomst in de hemel een merkwaardig gesprek ontwikkelde.
De Heer Jezus die hem begroette fronste zijn wenkbrauwen wanneer Johannes Paulus zich voorstelde als opvolger van Petrus en hoofd van de katholieke Kerk.
Na enig zoekwerk in het boek van de uitverkorenen haalde Jezus zijn schouders op
en vroeg: heeft u misschien nog een andere naam?
-Natuurlijk, zei Johannes Paulus. Voordat ik paus werd, heette ik Karol Józef Wojtyla.
Onder die naam werd hij tot zijn opluchting wel gevonden.
-Het is in orde, zei Jezus. Treed binnen in het koninkrijk der Hemelen.
-Heer, zou ik U iets mogen vragen? vroeg de paus een beetje bedremmeld.
Hoe komt het dat U me niet kent onder mijn pausnaam?
-Pausnaam?
-Wel ja, de naam die ik koos toen ik gekozen werd tot hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk.
-Kerk?
-Ja Heer, die U gesticht hebt, die onder leiding van Petrus uitgegroeid is tot een wereldwijde gemeenschap van gelovigen die uw Naam belijden.
-Petrus?
-Ja, die U geroepen hebt om U te volgen en U te vertegenwoordigen.
-Simon Petrus?
-Ja! Ik ben zijn opvolger.
-Ongelofelijk. Dat vissersclubje bestaat dus nog altijd?
Als je vandaag kijkt naar wat de Kerk geworden is in de loop van de voorbije tweeduizend jaar, kan je je inderdaad verwonderen over het feit dat die Jezus-beweging nog steeds bestaat.
De twee apostelen die we vandaag vieren, Petrus en Paulus, zijn bij het begin van onze tijd heel belangrijke figuren geweest voor de Kerk. Door hun verkondiging bij joden en heidenen hebben ze het evangelie doorgegeven aan generaties christenen, die, geïnspireerd door Jezus, gewerkt hebben aan wereldvrede, rechtvaardigheid, zorg voor de schepping en eerbied voor het leven. In het mysterie van het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus worden we meegetrokken in de dynamiek van Gods liefde.
Zo’n kostbare en levende traditie kan je moeilijk “een vissersclubje” noemen.
De anekdote wil met haar humor een steek geven aan het belang dat de Kerk ook in zichzelf heeft ontdekt in de loop van de tijden. Dat hebben we onder andere aan Paulus te danken.
Paulus schrijft in de eerste eeuw na de kruisdood van Jezus, toen de Kerkgemeenschap helemaal geen instituut van macht of aanzien was – integendeel: een vervolgde en verdrukte gemeenschap – dat de gelovigen samen het Lichaam van Christus zijn. De Kerk is het Lichaam waarvan Christus het Hoofd is en alle gedoopten zijn Zijn ledematen.
Daarom dat de verbondenheid tussen christenen over de gehele wereld zo belangrijk is.
Het belang van gemeenschap en verbondenheid in ons geloof wordt heel vaak vergeten in onze tijd en maatschappij, waarin ieder maar voor zich moet uitmaken wat zijn of haar leven zin geeft. Je moet het zelf zoeken. Alsof geloof iets gevaarlijks is, zoals sigaretten of alcohol, zoiets waarvan je als ouder tegen je kind zegt: het is niet goed, maar het wel zelf verbruikt.
Ik zou ons christelijk geloof liever vergelijken met goede muziek: die houd je ook niet weg van je kinderen omdat ze later zelf moeten kunnen kiezen wat ze mooi vinden. Natuurlijk mogen ze dat… en ze zùllen dat ook. Denk maar aan je eigen voorkeur en hoe die al of niet door de vorige generaties werd gesmaakt. Maar wie elkaar het mooie van het leven niet aanbiedt… wat voor goeds kan je daarvan verwachten?
Petrus en Paulus hebben met heel hun leven, tot in hun marteldood toe, van hun geloof en liefde voor Christus getuigd. Ze hebben als herders van de kudde gedaan wat ze konden om aan mensen te tonen: God houdt van je, Hij geeft je onvoorwaardelijk zijn liefde en nodigt je uit die liefde ook door te geven aan alle mensen, want ze zijn je broers en zussen.
Wij allemaal kunnen voor elkaar een Petrus zijn, een steenrots waarop anderen kunnen steunen. Ieder zal dat met haar of zijn eigen talenten en mogelijkheden doen. Sommigen zullen meer de zorgzame en genezende Petrus zijn, anderen de leidersfiguur, weer anderen de trouwe en standvastige luisteraar of een vurige verkondiger van hoop. Onze familie heeft al deze talenten nodig om een toekomst te hebben en een weekend als dit te doen slagen. Het ontdekken en waarderen van die talenten is ongetwijfeld een belangrijke uitdaging om de verbondenheid die we in dit weekend willen uitdrukken toekomst te geven.
Houden we onze levensmuziek voor onszelf?
Of laten we de mensen na ons er al naar luisteren en zelf bepalen wat ze er graag van horen en wat niet?
En net zoals Paulus en Petrus rekening moesten houden met hun tijd en maatschappij, zullen ook de Kerk van vandaag, onze familie vandaag moeten luisteren naar de tekenen van de tijd, open staan voor de kansen die vernieuwing biedt, maar ook zorgzaam voor de rijke tradities die we met ons meedragen.
Als wij hier samen eucharistie vieren, is dat een viering in gemeenschap met de hele Kerk: met alle mensen die net zoals wij gedoopt zijn en in de Geest belijden dat God in Jezus zijn liefde voor de mensen is komen tonen. Alle mensen… al onze broers en zussen, de kinderen van God, ook zij die door hun sterven een andere plaats gekregen hebben in ons leven. We noemden bij het begin van de viering de namen van onze overleden familieleden. Voor elke tak komen daar nog eens heel wat andere namen bij, voor elk van ons zijn er nog zoveel andere namen van dierbaren die we hebben toevertrouwd aan Gods liefde, toen ze van ons zijn heengegaan.
Maar er zijn nog evenveel namen van levenden, die ook een plaats hebben in ons hart.
Met heel die gemeenschap verbonden kunnen we dan nu zingend het geloof belijden dat Petrus en Paulus verkondigden.
Prachtige homilie!