Homilie 23e zondag door het jaar B

Op zondag 6 september ging ik voor in de eucharistieviering van onze abdijgemeenschap. Daar sprak ik deze homilie uit.

Lezingen:
Jes. 35, 4-7a
Jak. 2, 1-5
Mc. 7,31-37

“Vat moed en vreest niet: Uw God komt om de wraak te voltrekken, God komt om te vergelden en om u te redden.”

Broeders en zusters, bij deze woorden kunnen ons allerlei gruwelijke en schrikwekkende taferelen voor ogen komen. In de middeleeuwen hield men zich graag bezig met het zich voorstellen van hoe het einde der tijden er zou uitzien en hoe de zondaars met de meest verschrikkelijke (maar toegegeven ook originele en toepasselijke) straffen zouden gestraft worden. Zulke beelden gebruikte men om kandidaat-zondaars af te schrikken en tot bekering te bewegen, maar ook (en misschien vooral) om zich te verkneukelen over de eigen vijanden, die men al die gruwelijkheden toewenste.

Maar het visioen van Jesaja geeft een heel andere invulling en wending aan Gods komst. Het betekent niet in de eerste plaats slecht nieuws voor de slechten, maar goed nieuws voor de goeden: “De ogen van de blinden gaan weer open, de oren van de doven zullen geopend worden. De lamme zal springen als een hert en jubelen zal de tong van de stomme.”

God komt leven brengen waar de dood heerst. Hij komt de verdrukte oprichten, de benadeelde in het recht stellen. Hij maakt wie Hem liefhebben tot erfgenamen van het beloofde koninkrijk. Zijn wraak, zijn vergelding gaan niet in de eerste plaats over het bestraffen van de daders, maar om het herstel van de vertrapte waardigheid van de slachtoffers. Gods rechtvaardigheid gaat niet om “wie is de schuldige?”, maar “wie heeft er geleden?”.

De genezingsverhalen in het evangelie willen de link leggen tussen deze profetieën en Jezus. In Hem worden die goddelijke beloften vervuld, in Hem begint het koninkrijk Gods.

Maar het verhaal over de genezing van die doofstomme is er niet alleen maar om ons gerust te stellen en blij te maken. We worden door Marcus aan het denken gezet. Zijn wij zelf op onze eigen manier ook niet doof voor Jezus’ verkondiging of zwijgen we ook niet als het over ons geloof gaat? Worden in onze tijd niet evenzeer mensen doof gehouden voor informatie? Zijn er in onze tijd geen mensen die niet aan het woord mogen komen?

En dan denken we misschien snel en politiek correct dat dit vooral in verre landen gebeurt, waar ze de waarden van het evangelie of de rechten van de mens niet hoog in het vaandel dragen. Als we eerlijk zijn, zullen we toch nog voorbeelden kunnen geven van mensen en groepen in onze eigen samenleving, die geacht worden te zwijgen of aan wie het niet toegestaan wordt te horen.

Ook ik, ook wij, hebben die genezende aanraking van Jezus nodig. Laat ik mij door Hem meenemen buiten de kring om met Hem alleen te zijn? Laat ik toe dat Hij me aanraakt en tot me zegt “Effata”? Eigenlijk is dat waarvoor we op deze zondag samenkomen met de christelijke gemeenschap. We komen om naar de woorden van de Heer te luisteren, om onze oren door Hem te laten openen. En we worden naar de wereld teruggezonden aan het einde van de dienst, niet om te zwijgen, maar om te spreken.

Ja, ik weet ook wel dat het in onze tijd en zeker in onze streken niet gemakkelijk is om over geloof te spreken, om er voor uit te komen dat je een actief lid bent van de kerkgemeenschap, dat je regelmatig of af en toe naar de kerk gaat of tijd maakt om te bidden of om de Bijbel te lezen. Soms zijn het juist de christenen die de mond gesnoerd worden. Maar we mogen ons daar niet door laten ontmoedigen. Jezus wil ons aanraken, onze oren en onze mond openen. Hij spreekt ons aan en verwacht van ons een antwoord. “Effata,” zegt Hij. Ga open. Luister en spreek. Laten we als antwoord daarop niet als verlamden neerzitten en zwijgen, maar zoals Jesaja voorzegd heeft opstaan en spreken over ons geloof in de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

0 Reacties tot “Homilie 23e zondag door het jaar B”



  1. Momenteel geen reacties

Reageer




c

Bezoekers:

  • 57,903 pageviews

Archief