Uitgesproken in de abdijkerk van Averbode op zondag 8 mei 2011
Lezingen
Handelingen 2,14.22-32
1 Petrus 1,17-21
Lucas 24,13-35
Mensen hebben nood aan tochtgenoten, die met hun blik op de weg voor ons nieuwe perspectieven openen en in moeilijke tijden bemoediging en steun kunnen bieden. Zo was het ook voor de twee leerlingen die terugkeerden naar Emmaüs. Voor een goed verstaander was de zaak heel duidelijk: het spel was uit. Die Jezus, op wie ze zo hun hoop gesteld hadden, bleek een mislukkeling. Wéér zo’n type dat met een veelbelovende boodschap de hoofden en de harten van de mensen op hol had weten te krijgen en daarna al dan niet spectaculair ten onder ging.
Moedeloos, met lood in de sandalen, druipen ze af.
Zusters en broeders, ook wij hebben wellicht heel wat redenen om de schouders te laten hangen en bijna beschaamd onze geloofsweg verder te zetten zonder al te veel enthousiasme en vertrouwen. We kunnen uitgebreide klaagzangen aanheffen over hoe onze geloofsgemeenschap door allerlei moeilijkheden en allerminst fraaie situaties gebukt gaat, aangevallen wordt of gewoon lijkt te verdorren en af te sterven. Net zoals de Emmaüsgangers kunnen we daar onderweg met elkaar over lopen of staan te keuvelen.
Maar misschien kunnen we op die aftocht net zoals die twee leerlingen een tochtgenoot toelaten. Iemand die vraagt “Waar lopen jullie zo over te tobben?” En dan zal ook ons antwoord wellicht zijn: “Weet gij dat dan niet? Leest ge geen kranten? Kijkt ge niet naar ’t nieuws? Zijt gij dan de enige die niet weet hoe zo’n veelbelovend verhaal samen met onze hoop de grond is ingeslagen?”
En dan kan die tochtgenoot eveneens vragen: “Waar hebben jullie het over?”
Dan kunnen wij aan het vertellen gaan over hoe mooi en fris ons geloof ooit wel was, en hoe aanstekelijk en inspirerend onze geloofsgemeenschap. In onze ogen kan die gloed van begeestering eventjes opflakkeren wanneer we vertellen over hoe we in ons leven houvast gevonden hebben in het geloof, hoeveel we vertrouwd hebben op God en hoe we door de hartverwarmende betrokkenheid van medegelovigen al een voorsmaak van de hemel hebben geproefd.
En dan kunnen we eens diep zuchten. Want dat lijkt nu allemaal aan diggelen gegooid. Jezus is dood. Punt. Niks aan te doen. Bedankt voor de aandacht. Goede reis verder.
Maar zo is het niet gelopen… en zo hoeft het ook voor ons niet te zijn. Laten wij ons nog aanspreken door iemand die met een heldere blik op het verleden en het heden ons wegen naar een hoopvolle toekomst aanwijst? Staan onze oren en ons hart nog open voor de levenwekkende woorden van het evangelie?
De Emmaüsgangers dachten dat ze het begrepen hadden… maar zo als zo vaak in het evangelie toont die vreemde tochtgenoot dat ze de puzzelstukken wel in handen hebben, maar de oplossing nog niet beseffen.
Natùùrlijk moest de Messias zo lijden om zo zijn glorie binnen te gaan. Dat vind je bij de profeten en in de andere Bijbelse geschriften. God heeft van oudsher niet nagelaten dit aan zijn volk te openbaren. Maar ze waren verblind en zochten het heil op dwaalwegen.
Zusters en broeders, zijn wij er per se beter aan toe? Zoeken wij de diepe zin van ons leven in het verhaal van God met de mensen? Of hebben we ons geluk gezocht in allerlei zaken die ons vroeg of laat uit de handen gerukt kunnen en zullen worden? Door met een nieuwe blik naar onze levensweg te kijken, door er het licht van het evangelie, het licht van de verrijzenis over te laten schijnen, kunnen we op zoek gaan naar waar het onvergankelijke geluk te vinden is.
Omdat we het al zo vaak gehoord of zelf gezegd hebben, zijn we er als het ware gewoon aan geraakt: die gekruisigde Jezus, die in de ogen van de hele wereld een mislukkeling was, is door de Vader uit de doden opgewekt. Zijn verrijzenis is de ultieme bevestiging dat de boodschap van liefde en redding, die het evangelie is, wààr is. Die kern van ons geloof wordt ons telkens weer aangereikt onderweg.
Net zoals de leerlingen gaandeweg vanuit de Schrift open komen voor die boodschap van vreugde, hebben wij ons door de lezingen van deze zondag laten openbreken voor wat nu volgen zal: in die kleine en toch grootse gebaren van het breken van het brood en het delen van de beker mogen we Jezus herkennen. Niet als een schim uit het verleden, maar als een Levende in ons midden.
Door te delen in de gaven die Hij schenkt, zijn eigen Lichaam, zijn eigen Leven, krijgen we ook deel aan het geluk dat voor Gods uitverkorenen is weggelegd en dat ons door niemand afgenomen kan worden.
Laten we verbonden in dat geloof eucharistie vieren, God de Vader dankend voor het onnoemelijke geschenk dat Hij ons in Jezus’ verrijzenis openbaart, zodat ook onze harten branden met een vuur dat aanstekelijk is voor onze medemensen.
0 Reacties tot “Homilie voor de 3e Paaszondag A”