Homilie voor de huwelijksviering van Toon Janssens en Annelies Van Looveren


Met een toch nog redelijk enthousiast zonnetje en vooral heel wat enthousiaste mensen (en op ’t einde paarden) mocht ik vandaag in de Sint-Bavokerk te Zittaart het huwelijk inzegenen van Toon Janssens en Annelies Van Looveren. Met heel poëtische lezingen, een lach en een traan, werd het een onvergetelijke viering.

lezingen:
Hooglied 2,8-10.14.16a;8,6-7a
Johannes 15,9-27

Beste mensen, de liefdespoëzie van de eerste lezing, uit het Bijbelboek Hooglied, geeft ons een staaltje van de Oosterse romantiek van de tijd. Er wordt met beelden gewerkt om gevoelens uit te drukken. Heel schilderachtig wordt de komst van de geliefde aangekondigd: als een gazel snelt hij over de heuvels, als het jong van een hert: dartel en gezwind.
En het meisje, dat in deze tekst aan het woord is, wordt vergeleken met een duif: een sierlijk, onschuldig wezen.
En dan wordt de liefde beschreven met een beeld dat voor ons wat vreemd kan lijken: in plaats van lieflijke en zoete taferelen, wordt de liefde vergeleken met de dood. Ze is onverbiddelijk en duidelijk: de liefde sluit ieder ander buiten zodra zij haar keuze heeft gemaakt. Zo is het met het christelijk huwelijk ook: mensen maken één duidelijke partnerkeuze: ik wil joúw man zijn, ik wil joúw vrouw zijn. Ik wil je liefhebben en waarderen, alle dagen van mijn leven.
Vandaag mogen wij getuige zijn van dit ja-woord van Annelies en Toon. We mogen delen in de vreugde en de hoop die hun levensengagement aan hen geeft. Ze hebben er erg naar uitgekeken. En nu zitten zij hier, in ons midden. Hun gedeelde passie, de paardensport, heeft hen samengebracht. Misschien vraagt u zich dan af, waarom er bij al die dieren in de eerste lezing geen paard zat. Wel, ‘k ben het even gaan natellen en, van de ongeveer 130 keer dat een paard in de Bijbel vermeld wordt, gaat het vooral om een paard als rijdier in de strijd. In het oude Israël kende men het gebruik van paarden eigenlijk niet. Als er al paarden vermeld staan, dan zijn het die van de hen omringende volkeren. De Bijbelse boeken beschouwen paardrijden als iets dat bij soldaten hoort. Buiten oorlogstijd werd er op ezels en muildieren gereden. En zo is de ezel in de Bijbel een symbool van vrede geworden, terwijl een paard vereenzelvigd wordt met strijd, maar ook met dapperheid. Meer dan een weetje is het niet, maar het leek me wel toepasselijk om dit met u te delen vandaag.
Maar nu terug naar de reden van onze samenkomst. Jezus’ woorden geven aan Annelies en Toon bagage mee voor onderweg, maar ook aan ons allemaal een opdracht: houden van elkaar, zoals Jezus van ons houdt. Het grootste bewijs van liefde is dat iemand wil sterven voor zijn vrienden, zegt Jezus. En dat heeft Hij ook tot in de uiterste consequentie waargemaakt. Zelfs tot ver daarover: Jezus heeft zijn leven gegeven opdat alle mensen, ook jullie, ook ik, zouden inzien hoe groot Gods liefde is voor ons. Om ons hart altijd weer naar en met de liefde te bewegen. Om in de dierenwereld te blijven: wanneer we Jezus aan het kruis zien hangen, zou dat op ons hetzelfde effect moeten hebben alsof God met puppy-oogjes naar ons kijkt en zegt “toe, houd van elkaar, van alle mensen, zoals ik van alle mensen houd, oneindig en onnoemelijk veel”.
De grote kerkvader Augustinus vatte alle leefregels binnen het christendom samen in één zeer korte leidraad: “Bemin, en doe dan wat je wil.” Want als je de ander werkelijk bemint, dan wil je alleen nog maar het goede voor je naaste. Als je de ander werkelijk bemint, dan heb je niet de neiging om van jezelf het middelpunt van het heelal te maken, maar maak je ruimte voor elkaars geluk. Wie bemint, doet goede dingen. Ok, soms doen liefhebbende mensen ook stommiteiten. Maar wie echt liefheeft, kan niet het kwade wensen voor wie men bemint. Hoogstens gaat het goedbedoelend fout.
Jezus toonde in woord en daad hoe wij onze naaste kunnen liefhebben. Ons engagement naar elkaar toe, liefst en vooral naar wie onze hulp het meeste nodig hebben, is een teken dat we Jezus’ boodschap begrepen hebben. Wanneer we, al is het maar een klein beetje, snappen wat het betekent dat een ander ons bemint, dat God ons bemint, voelen we de oproep om die liefde te beantwoorden. Zo heeft God in Jezus getoond wat ‘liefde tot het uiterste’ betekent.
En vandaag geeft God ons er nog een teken bij: de liefde tussen Annelies en Toon wordt door het sacrament van het huwelijk een levend teken van Gods liefde voor ons. Als wij zien hoeveel deze twee huwenden van elkaar houden, mogen we dat ook zien als een manier waarop God ons herinnert aan alle liefde die er te vinden is, waarvan Hij de bron is.
Beste Annelies en Toon, samen met de hele kerkgemeenschap wensen we jullie een gelukkige en mooie toekomst toe. Moge de liefde altijd de hoogste waarde zijn in jullie gezin, de bron en de maatstaf van jullie handelen en spreken. En dat jullie altijd de verbondenheid en steun mogen voelen van de zovelen die jullie in het hart dragen. Dat is onze wens voor jullie op deze mijlpaaldag in jullie leven. Amen.

Advertenties

Homilie voor de 2e zondag van Pasen A


Precies 10 liturgische jaren na mijn priesterwijding (en 10 jaar en 7 dagen na diezelfde gebeurtenis) mocht ik voorgaan in de eucharistieviering in onze abdijkerk op Beloken Pasen, 23 april 2017. Om het eens niet enkel over geloof en twijfel bij Thomas te hebben, nam ik de eerste en tweede lezing als kapstok voor mij homilie.

 

Lezingen:   Handelingen 2,42-47
1 Petrus 1, 3-9
Johannes 20, 19-31

inleidingswoord:

Broeders en zusters, hartelijk welkom om samen de tweede zondag van Pasen te vieren. De vreugde om de verrijzenis van Jezus Christus en de barmhartigheid van God brengen ons hier vandaag samen. Deze zondag draagt namelijk naast “Beloken Pasen” ook te naam van “Zondag van de goddelijke barmhartigheid”. We zetten de viering van Pasen verder. De lezingen van deze zondag tonen ons de weg naar het geloof in de Verrezen Heer en hoe we dit in ons leven gestalte kunnen geven. In ons midden staan de Paaskaars en de doopvont de verwijzing naar het moment dat we zelf deel kregen aan het Paasmysterie van Christus. In deze Paastijd worden we door de besprenkeling met doopwater herinnerd aan dat doopsel, het moment waarop we herboren werden als Gods geliefde kinderen. Moge deze besprenkeling ons helpen om met groeiende geestdrift en een hernieuwd engagement onze levensweg op God te richten.

 

homilie:

Zusters en broeders, de beschrijving van de eerste christengemeenschap, die we zonet hoorden voorlezen uit de Handelingen van de Apostelen, is wellicht wat geïdealiseerd. En toch is ze in al haar eenvoud ook te lezen als de eerste leefregel van onze christelijke gemeenschap: trouw blijven aan het gemeenschappelijk leven, ijverig het brood breken (dat is: de eucharistie vieren), eensgezind zijn, onze bezittingen delen zodat er geen armoede is in onze gemeenschap, dagelijks trouw en eensgezind de tempel bezoeken, samen maaltijd houden in blijdschap en eenvoud van hart en God loven. In de kloosterregel van onze orde komen uitgerekend deze elementen ook naar voren als belangrijke steunpunten van het kloosterleven. In de loop van de eeuwen lijkt dit ideaal voor heel de christelijke gemeenschap doorgeschoven te zijn naar de “specialisten”. Deze Paastijd kan een mooie en zinvolle aanleiding zijn om onze eigenheid als christelijke geloofsgemeenschap opnieuw te ontdekken of uit te diepen.

Misschien zetten sommigen onder u zich al een beetje schrap met als gedachte “daar komt er weer één die zegt dat we meer moeten weggeven en uitdelen”. Mocht dat bij u het geval zijn, dan zou het overbodig zijn om die boodschap nog eens te herhalen. Dat laat ik dus voor uw eigen inzicht. Tenzij het delen over iets anders gaat dan geld of goederen. Mag ik u naar aanleiding van de lezing uit de Handelingen uitnodigen om in de komende week eens na te denken over op welke manier u uw geloof en uw leven deelt met uw medegelovigen en de andere medemensen? Mogen zij delen in uw vreugde, omdat Christus is opgestaan uit de doden en ook ons, door ons doopsel, nieuw en eeuwig leven schenkt? En als die vreugde een beetje onder het stof is geraakt: laat u het toe dat anderen die blijde boodschap in u weer tot leven wekken? Al was het maar door, zoals ik vandaag, met een paar gedachten de frisheid van dit alles in herinnering te brengen? Het is lente: alles in de natuur jubelt het uit in kleuren en geuren, want de doodse winter is overwonnen. Ook wij mogen jubelen, want de dood is overwonnen!

Over de evangelielezing hebt u in de voorbije jaren al heel wat boeiende en inspirerende gedachten gehoord. Dit jaar ga ik die bewust links laten liggen om nog eventjes stil te staan bij de tweede lezing uit de Eerste brief van Petrus. Want wat daar staat is geen klein bier. Eerst zegent Petrus God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood.

Daar staat het: misschien is dit wel één van de meest kernachtige samenvattingen van de band tussen Pasen en ons doopsel. In één zin. Petrus verzekert ons dat er voor ons een erfenis is weggelegd, die onvergankelijk, onbederfelijk en onaantastbaar is. Wat God ons geven wil, leven in overvloed, kan ons door niets afgenomen worden. Niets kan er iets af snijden of het bederven. Het is het puurste leven dat bestaat: het leven met en in God zelf. En daarom, schrijft Petrus, mogen we nu al juichen, ook al is het nu zo dat er lijden in ons leven is, beproevingen. Petrus beschouwt die beproevingen als een manier om ons geloof te bewijzen. Persoonlijk weet ik niet of ik er ooit in zal slagen om het lijden dat mijn medemensen en mij overkomt te zien als een soort examen, een test voor mijn geloof. Want juist in die beproevingen heb ik God zelf het hardst nodig. Net wanneer mijn geloof het kleinst en het zwakst is, heb ik het harder nodig.

Aan het einde van de lezing, hoorden we drie zinnetjes die naar mijn gevoel de band leggen met wat Thomas en Jezus uit te klaren hadden in het evangelie. Christus hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, als gij het einddoel van uw geloof, uw redding, bereikt. Ook al is ons geloof nu soms een onzeker tasten in het duister, we mogen hopen en vertrouwen op de belofte dat onze vreugde ‘hemels’ zal zijn. Door ons geloof en door ons doopsel zijn wij een verbond binnengegaan met God, die altijd zijn beloften houdt. Moge die bron van vreugde, vertrouwen, hoop en liefde onze kracht zijn, alle dagen van ons leven. Amen.

Homilie voor de 3e zondag van de advent A


Deze zondag ging ik in onze abdijkerk voor in de eucharistieviering. Deze woorden sprak ik er uit:

lezingen:
Jesaja 35,1-6a.10
Jakobus 5,7-10
Matteüs 11,2-11

gezangen:
Introitus: Gaudete
Alleluia: Excita Domine potentiam tuam
Ber. gaven: Rorate Coeli

openingswoord:

Broeders en zusters, welkom in deze eucharistieviering. Zoals de kaarsen op de adventskrans aangeven is het de derde zondag van de advent. Het licht begint te groeien, de verwachtingen stijgen. Het beeld van de vervulling van Gods beloften wordt steeds duidelijker. Dit is de tijd om ons daarvan bewust te zijn en aan de kant te zetten wat de komst van de Heer in ons leven belemmert. Daarom willen we ook aan het begin van deze viering vragen om barmhartigheid.

homilie:

Broeders en zusters, in het openingslied zongen we ‘De Heer is nabij. Wees onbezorgd. Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking.’ Dit citaat uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen in Filippi werd vorig jaar nog op de derde adventszondag voorgelezen. Vandaag kregen we als tweede lezing een stukje uit de Jakobusbrief aangereikt: ‘Heb geduld tot de komst van de Heer’.

Wat zal de Heer ons brengen met zijn komst? De profeet Jesaja zegt het in prachtige woorden: ‘Woestijn en steppe zullen zich verheugen, jubelen en bloeien de dorre vlakte. Pronken zal zij met lelies, van blijdschap jubelen en juichen.’ Je kan zulke woorden natuurlijk letterlijk nemen, de woestijn in trekken en hopen dat daar op een dag bloemen zullen staan. De onheilspellende berichten over de opwarming van de aarde en de verwoestijning van de continenten lijken dat echter behoorlijk tegen te spreken.

Misschien hebt u, net zoals ik zelf trouwens, wel eens de ervaring gehad dat u zich zelf een woestijn, een steppe of een dorre vlakte voelde. Wie een tijd lang geen bloemen meer ziet bloeien in haar of zijn eigen leven, of er blind voor is geworden, stelt op de duur alles in vraag. De donkere schaduwen van de zwaarmoedigheid en de wanhoop verdringen het licht van het geloof, van de hoop, ja zelfs van de liefde uit je leven en zoals een door en door dorre grond snak je naar water, naar een teken van leven en toekomstperspectief.

Jesaja schrijft deze woorden aan de ballingen die naar Babylon weggevoerd zijn. Ook zij hadden het gevoel dat ze totaal uitgedroogd waren, als het op Gods liefdevolle ontferming aan kwam. Wat God door de profeet aan zijn volk belooft, is niet min: het ondenkbare zal gebeuren: wat woestijn was, zal een bloeiende tuin worden, blinden zullen weer zien, doven zullen horen, de stomme zal weer spreken, de lamme zal rondhuppelen als een hert. En vooral: er zal vreugde zijn. Intense, onstuitbare vreugde, die doet jubelen en juichen. Niet zomaar een beleefd applausje, of een gelukzalige glimlach. Nee: jubelen en juichen. Het uitroepen van geluk. Niet meer stil kunnen zitten van opperste vreugde. Dat is wat Jesaja belooft.

Kunnen we ons nog voorstellen dat God zoiets in ons leven teweeg brengt? Of misschien nog veel fundamenteler: zouden we het aanvaarden wanneer Hij zoiets probeert te realiseren? Wat staat er allemaal niet in de weg? Johannes de Doper kan voor ons een inspirerende figuur zijn om daar af en toe, maar vooral heel bewust mee bezig te zijn. Zijn rauwe en ruwe optreden schudde mensen wakker. Maar ook hij durfde twijfelen en vragen stellen. Wanneer Jezus aan Johannes’ leerlingen bijna dezelfde woorden meestuurt als de profeet Jesaja, is de boodschap niet mis te verstaan: het is begonnen! God heeft een begin gemaakt met de vervulling van zijn beloften.

Durven wij dat nog zien? Durven en kunnen wij in de komst en het optreden van Jezus ook iets zien aanbreken van de dageraad van onze eigen vreugde? Horen wij vanuit onze eigen situatie, die misschien ook een woestijnperiode doormaakt, in de verte de malse voorjaarsregens al aankomen? Kunnen wij het geduld opbrengen om dit te laten gebeuren zonder dat ons vertrouwen en onze hoop vervliegen?

Broeders en zusters, ik denk dat we elk jaar weer die opdracht mee krijgen van Jezus: ‘Gaat zeggen wat ge hoort en ziet.’ We praten vooral en graag over de negatieve dingen die er in deze wereld gebeuren. En die zijn talrijk en mogen nooit ontkend of geminimaliseerd worden. Maar we komen op die manier in een negatieve spiraal terecht, waarin geen plaats meer is voor goed nieuws, voor hoopvolle boodschappen. Net zoals Jesaja, Johannes de Doper, Jakobus en Jezus, worden wij allemaal geroepen om boodschappers te zijn van hoop, van Gods belofte dat zelfs de dorste vlakte weer bloemen kan dragen. We mogen vertrouwen, geduldig vertrouwen. En trouwens… niets verbiedt ons om af en toe zelf een gieter boven te halen en God een handje toe te steken.

In het Engels is er de uitdrukking ‘count your blessings’, tel je zegeningen. Je kan het ook hertalen als: ‘Tel de bloemen in je leven en vertel er over aan al wie oren heeft.’ De steppe zàl bloeien. Er zal blijdschap, gejuich en gejubel zijn. De Heer is nabij. Amen.
voorbede:

Zusters en broeders, laten we onze gebeden richten tot onze Heer, die komen zal om zijn volk te bevrijden uit de duisternis.

Om licht voor wie geen perspectief meer zien in hun leven
Om woorden van hoop voor wie doof zijn geworden voor het goede nieuws.
Om kracht voor wie moedeloos in zak en as is neergezeten.
Dat de Heer zijn beloften in vervulling brengt voor al onze medemensen in nood.
Laat ons bidden.

Om inspiratie en daadkracht voor onze medemensen die zich inzetten voor een wereld waarin armoede en kansarmoede verdreven worden.
In het bijzonder bidden we voor de medewerkers van Welzijnszorg.
Voor hulpverleners en vrijwilligers die zich inzetten voor daklozen, vluchtelingen en slachtoffers van geweld of discriminatie.
Laat ons bidden.

Om profetische durf, die ons aanzet tot een getuigenis van hoop en dankbaarheid.
Om waardigheid en fijngevoeligheid in ons handelen en spreken in de geest van Jezus, onze Heer. Laat ons bidden.

Om vrede en barmhartigheid voor onze dierbare overledenen.
Om steun en bemoediging voor onze zieken.
Om verhoring voor de intenties die ons werden toevertrouwd.
Laat ons bidden.

Heer, onze God, altijd zijt Gij bezorgd om ons geluk. Geduldig en getrouw bereidt Gij uw volk voor op de komst van de Heiland. Doorbreek onze onmacht, ontsluit ons hart. Dat wij onbevangen Hem herkennen die midden onder ons zal komen: Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer. Amen.

 

Homilie voor de 28e zondag door het jaar C


Op zondag 9 oktober 2016 ging ik in onze abdijkerk voor in de eucharistieviering. Deze viering was voor mijn familie ook de jaarlijkse herdenkingsdag voor mijn overleden grootouders.

lezingen:
1 Koningen 17,17-24
Psalm 30
Galaten 1,11-19
Lucas 7,11-17

Gezangen:
int. Si iniquitates
al. Qui timent Dominum
ZJ 712 Jezus wand’lend langs de wegen

 

inleidingswoord:

Broeders en zusters, welkom op deze zondag om samen met ons eucharistie te vieren. We komen samen om Gods liefde te vieren. Hij is bezorgd om ons en wil ons genezen van alles waar wij onder gebukt gaan. Laten wij in dankbaarheid samen zijn en gedenken hoe God zich in de Schrift, maar ook in ons leven toont als een God van barmhartigheid.

Laten wij alle onreinheid achter ons laten, ons tot God bekeren en Hem smeken om zijn ontferming, zodat we deze eucharistie met een zuiver en oprecht hart kunnen vieren.

 

[…]

Moge de almachtige God zich over ons ontfermen, onze zonden vergeven, onze harten genezen en ons geleiden tot het eeuwig leven. Amen.

homilie:

Broeders en zusters, hebben wij het wel nodig dat God ons geneest? Waarschijnlijk zal de meerderheid onder u bijna meteen en misschien zelfs een beetje verontwaardigd denken “ja, natuurlijk. Weet je wel niet hoe zwaar en moeilijk ik het heb?” En misschien ook nog iets als “en hoe veel ik ook bid, het lijkt wel alsof God me helemaal niet hoort en er niets aan wil doen.” Anderen dan weer zullen zeggen: “Daar heb ik dokters of andere mensen voor, dat is niet iets dat ik van God verwacht.”

Vaak zijn mensen tot heel buitenissige dingen bereid om genezing te bereiken. Zeker wanneer een ziektebeeld maar niet verbetert, wanneer de klassieke geneeskunde weinig antwoorden biedt of de ene na de andere mislukte poging doet om genezing te bewerken, durven radeloze patiënten zich wenden tot allerlei alternatieven. Sommige daarvan lijken te helpen, bij andere alternatieven kunnen we in alle eerlijkheid niet anders dan spreken over kwakzalvers en geldwolven. In het ergste geval raden die zelfs aan om de medische wetenschap volledig overboord te gooien, geen medicatie te nemen en enkel te vertrouwen op vreemde rituelen, amuletten, mengsels en verdunningen, zogenaamd oude oosterse of Afrikaanse tradities enzovoort.

Ook in het christendom bestaan er, bijvoorbeeld in de Amerikaanse staat Texas, gemeenschappen rond gebedsgenezers die duizelingwekkende bedragen ophalen tijdens zogenaamde genezingsdiensten waarin mensen door allerhande slimme trucs en illusies bedrogen worden en met de valse indruk weer naar huis gaan dat ze genezen zijn. En wanneer ze tot de conclusie moeten komen dat ze niet genezen zijn, hebben ze een schuldgevoel “omdat hun geloof niet sterk genoeg zou zijn”. Dit soort bedrog begint ook hier en daar in Europa voet aan de grond te krijgen, vooral in bepaalde evangelicale gereformeerde kringen. Gelukkig zijn er af en toe initiatieven die het bedrog van deze zogenaamde gebedsgenezers doorprikken en de gelovigen sensibiliseren om kritisch en voorzichtig met dit soort fenomenen om te gaan.

Als we naar de twee genezingsverhalen in de lezingen van deze zondag kijken, dan merken we dat zowel de profeet Elisa als Jezus helemaal geen grote offers vragen voor een genezing: Naäman moet zich maar gaan wassen in de rivier en de tien melaatsen hoeven zich zelfs maar aan de priesters te laten zien en worden onderweg genezen. Van Naäman staat in de langere versie van deze lezing beschreven hoe hij eerst tegenstribbelt: “zoiets simpels? Dat is toch wel wat te minnetjes. Dat gaat nooit werken.”

Toch blijken het juist die twee kleine gebaren te zijn die in hun leven genezing brengen. Vergelijk het met het mosterdzaadje uit het evangelie van vorige zondag. Met iets heel kleins kan iets heel groots beginnen. Met een kleine daad van vertrouwen begint een proces van reiniging, van genezing.

Maar als ik de vraag van zonet opnieuw stel “Hebben wij het wel nodig dat God ons geneest?”, dan gaat het niet alleen en misschien zelfs in de eerste plaats niet om onze lichamelijke of psychische kwalen. God is in de eerste plaats bekommerd om onze diepste spirituele, geestelijke of zielenpijn en gebrokenheid. De woorden en daden van Jezus waren voor zijn tijdgenoten deugddoende balsem op hun gekwetste geloofswonden. De leerlingen van Jezus leefden in een tijd van bezetting, uitbuiting en onzekerheid. Omdat ze in hun geloof het lot van Israël als een teken van Gods handelen in hun midden zagen, trokken ze uit die conclusie dat de Heer hen verlaten had, achtergelaten, gedumpt. De geboorte en het optreden van Gods Zoon onder de mensen heeft radicaal het tegendeel getoond.

Heeft niet ieder van ons zulke zielenwonden? Teleurstelling en vervlogen hoop is voor heel veel gelovigen een thema in hun relatie met God. Bidden lijkt meer dan eens op roepen in de woestijn. Ook de profeet Habakuk riep vorige week nog uit: “Hoe lang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert?”. In het openingsgezang zongen we met de psalmist “Als Gij zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand? Maar bij U is vergeving, God van Israël.” en “Uit de diepte roep ik, Heer, luister naar mijn stem.” Kreten van vertwijfeling, van onmacht. Maar ook van vertrouwen, hoe klein ook, dat het uiteindelijk God is die ons kan redden en genezen.

En toch pasklaar antwoord op zulke vragen krijgen we niet. Maar we krijgen van Paulus wel een hint in zijn tweede brief aan Timoteüs: Als wij met Christus gestorven zijn, zullen wij met Hem leven. Als wij ontrouw zijn blijft Hij trouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet.” Daarmee worden we op het spoor van het vertrouwen gezet dat de Vader, die zijn Zoon uit de doden heeft opgewekt, ook ons ten leven zal wekken. Want onze God is een trouwe God, die zijn geliefde kinderen niet in de steek laat. Zo werd het ook in de antwoordpsalm gezongen: “De Heer bleef zijn erbarmen indachtig, zijn trouw jegens Israëls huis.”

Laten wij dan de Heer in deze eucharistieviering oprecht danken voor de genezing die Hij ons belooft, ook al lijkt ze op zich te laten wachten. Want deze dankbaarheid zelf is al een stap naar een gelukkiger leven.

voorbede:

De Heer is een trouwe en barmhartige God, die zich ontfermt over wie zich in vertrouwen tot Hem wenden. Bidden wij vanuit dit geloof tot Hem.

Voor wie door ziekte of beperkingen aan de rand van de samenleving     komt te staan. Om mensen die door hun aandacht en zorg de barmhartigheid van God in hun leven zichtbaar maken. Laat ons bidden.

Voor wie door wanhoop of angst het vertrouwen in God en de medemensen verloren hebben. Om trouwe tochtgenoten die vrede en hoop brengen. Laat ons bidden.

Voor onze dierbaren die we in ons hart koesteren en voor de overledenen die wij aan Gods liefde hebben toevertrouwd. In deze eucharistieviering bidden we voor de intenties van de abdijgemeenschap, voor Robert en Irène Ceulemans (en …eventueel intenties op apart blad) Laat ons bidden.

Voor ons allen. Om de gave van nederige dankbaarheid die ons hart kan openen voor Gods genezende aanwezigheid. Laat ons bidden.

Almachtige God, uw goedheid is groter dan wij durven dromen. Aan wie nederig van hart zijn, schenkt Gij de volle maat van uw menslievendheid. Bevrijd ons van de hoogmoed die ons ongenaakbaar en zelfgenoegzaam maakt. Raak ons met uw reddende barmhartigheid. Door Christus, onze Heer.

 

Homilie voor de huwelijksviering van Ken Ceulemans en Daisy Martens


Op zaterdag 1 oktober 2016 ging ik in de Sint-Bernadettekerk te Mortsel samen met pastoor Tom Schellekens voor in de huwelijksviering van mijn neef Ken en zijn bruid Daisy. Ik sprak er deze woorden uit tijdens de homilie:

lezingen:
1 Johannes 4,7-12
Matteus 19,3-6

homilie:

Het stond op de uitnodiging en het staat ook op de eerste bladzijde van jullie boekje: liefde is op weg zijn naar: jezelf te vinden in elkaar.
Dank zij de liefde die je van andere ontvangt kan je ook leren jezelf op een nieuwe, liefdevolle manier te ontdekken en te aanvaarden, ja te beminnen.
Sommige mensen beweren dat tegenpolen elkaar aantrekken, anderen vinden juist dat het vooral belangrijk is om genoeg gemeenschappelijke punten te hebben. De waarheid zal wellicht in ’t midden zitten.

De eerste woorden van dat citaat van Toon Hermans kan je ook apart zien: liefde is: op weg zijn. Het is een boeiende tocht, vaak met rare bochten en onverwachte valkuilen, maar ook met onnoemelijk mooie momenten, dromen en vergezichten. Want liefde brengt het beste in een mens naar boven, en vaak nog méér dan dat. Het is ook een weg die geen einde kent, als een honger die nooit helemaal gestild raakt. En toch… als je de liefde in je leven vindt, voelt het tegelijk als thuiskomen: je ontdekt iemand bij wie je helemaal en zonder schaamte jezelf kunt zijn.

De apostel Johannes zag het vanuit zijn geloofservaring in nog een ander perspectief. Zijn ervaring met God en zijn omgaan met de boodschap en de leerlingen van Jezus leerde hem om zijn geloof in drie woorden samen te vatten: God is liefde. Mensen die geen liefde kennen, kennen God niet. En wie liefheeft is een kind van God en kent God. In de Bijbel gebruikt men het woord ‘kennen’ voor iets anders dan wetenschappelijke kennis. Het is een relatie, waardoor je elkaar op een diepe manier begrijpt. In sommige streken zegt men daarom ook wanneer twee mensen een koppel vormen dat “ze kennis hebben”.

God die liefde is, heeft zichzelf helemaal aan ons gegeven in Jezus, zijn Zoon. Aan zijn liefde mogen wij ons spiegelen en door zijn liefde mogen we ons laten inspireren. En het is uitgerekend die liefde die zichtbaar wordt in het sacrament van het huwelijk: liefde die geeft en aanvaardt, grenzeloos, bodemloos, oeverloos.

Lieve Daisy en Ken, wanneer jullie straks beloven elkaar trouw te blijven in goede en kwade dagen, in ziekte en gezondheid, dan zijn dat geen holle woorden. Jullie weten welke ups en downs het leven voor mensen in petto heeft. En helaas is de liefde geen garantie tegen pijn, tegenslag of verdriet. Maar ik geloof vast dat de liefde, zowel bij God als bij de mensen, de kracht in zich heeft om altijd het laatste woord te krijgen. Het is vanuit dat geloof dat ik er het volste vertrouwen in heb, dat de weg die jullie samen ingeslagen zijn, leidt naar geluk. Dankjewel om dit bijzondere moment met ons te delen, een moment waarop wij God aan het werk mogen zien in het leven van twee mensen van wie we veel houden. Jullie mogen rekenen op de steun van ons allemaal!

Homilie voor de huwelijksviering van Michael Van Laenen en Samantha Suykerbuyk


Op zaterdag 13 augustus 2016 mocht ik het huwelijk inzegenen van Michael Van Laenen en Samantha Suykerbuyk in de Sint-Trudokerk te Meerhout. Met deze woorden wilde ik hen nog iets meegeven voor hun leven als gehuwden.

Lezingen:
Sirach 26,1-4.13-16
Marcus 10,6-9

Homilie:

Een bekend lied van Herman van Veen, een Nederlandse zanger [eigenlijk een bijzonder geslaagde vertaling van een prachtig lied van Jacques Brel], begint met de woorden: Als liefde zo veel jaar kan duren, dan moet het echt wel liefde zijn. Ondanks de vele kille uren, de domme fouten en de pijn. En een beetje verder zingt hij in het refrein:  Ik hou van jou. Met heel mijn hart en ziel hou ik van jou. Langs zon en maan tot aan het ochtendblauw. Ik hou nog steeds van jou.

Het is omdat Michael en Samantha van elkaar houden, dat ze vandaag deze feestelijke dag met ons willen delen: de dag waarop ze met elkaar trouwen. Ze hebben bewust gekozen om dit te vieren op een moment dat Liam en Wout dit ook bewust mee kunnen vieren, er mee van kunnen genieten. Zij zijn het levende bewijs dat Samantha en Michael het leven de moeite waard vinden om door te geven.

In de eerste lezing hoorden we hoe de joodse wijze Jezus Sirach een goede en sterke vrouw ziet als een enorme rijkdom voor een gezin. Ze is een bron van geluk voor haar man en haar kinderen, een geschenk van God.

De evangelielezing herinnert ons er aan hoe belangrijk en mooi Jezus het huwelijk vond: twee mensen worden door God samengesmeed tot een eenheid van leven en liefde. Een eenheid die wij als mensen moeten respecteren en waarderen. Zo is het huwelijk niet alleen een uiting van liefde en trouw tussen de echtgenoten, maar ook een manier waarop onze samenleving en onze kerkgemeenschap eerbied hebben voor de levenskeuze van twee mensen.

Vaak moeten we niet zo ver in onze omgeving kijken om te beseffen dat dit niet altijd gemakkelijk is. Het gaat ook wel eens fout. Maar niemand die oprecht een huwelijk aangaat, verwacht of hoopt dat dit bij haar of hem het geval zal zijn. Integendeel. Vaak zijn mensen juist door wat ze in hun omgeving zien gebeuren, extra gemotiveerd om het in hun eigen leven zo goed mogelijk te doen, om er voor te gaan en er voor te vechten.

Als jullie, beste mensen, hier vandaag bij zijn, is dat omdat jullie Samantha en Michael willen steunen in hun keuze om als man en vrouw de toekomst tegemoet te gaan. Hun gezin wordt vandaag op een speciale manier extra verbonden onder Gods beschermende zegen. Daarom durf ik jullie oproepen om die steun ook af en toe te laten merken. Dat kan al met een klein woord of een eenvoudig gebaar.

En jullie alle vier, Samantha, Michael, Liam en Wout, geef ik vandaag mee dat de herinnering aan deze dag jullie telkens weer mag uitnodigen om echt te bouwen aan een goed gezin, waar het aangenaam is om te wonen, waar iedereen zijn of haar steentje bijdraagt waar het kan en waar de liefde altijd het laatste woord krijgt, wat er ook gebeurt. Amen.

Homilie voor de 10e zondag door het jaar C


Abdijkerk Averbode – zondag 5 juni 2016

openingswoord

Hartelijk welkom, broeders en zusters, om op deze zondag met ons samen eucharistie te vieren. Elke zondag laten we ons dankbaar inspireren door ons geloof dat de Heer is opgestaan, maar ook dat Hij anderen doet opstaan uit ziekte en dood. Laten wij elkaar bemoedigen door de zorgende troost die we van God ontvangen. Laten we in alle eerlijkheid voor God gaan staan, in het besef dat we zijn hulp en barmhartigheid nodig hebben.

lezingen

1 Koningen 17,17-24
Psalm 30
Galaten 1, 11-19
Lucas 7-11-17

homilie

Wanneer ik een klasbezinning begeleid, is er een groepsoefening, waarbij de deelnemers per twee worden gezet om korte interviews van elkaar af te nemen. Op die manier leren ze elkaar op een heel nieuwe manier kennen. Vanzelfsprekend neem ik als begeleider ook deel aan die opdracht. Eén van de vragen die ik dan graag aan mijn gesprekspartners stel is: ‘Stel je voor dat je, zoals een held in de tekenfilms of stripverhalen, een superkracht zou hebben. Welke superkracht zou je dan graag hebben?’.

Natuurlijk passeren veel van de populaire antwoorden regelmatig de revue: onoverwinnelijk zijn, kunnen vliegen, onzichtbaar kunnen zijn, onsterfelijk zijn, een blik die overal doorheen kijkt (bij die pubers gaat het dan wellicht voornamelijk om kledij), supersterk zijn om zware dingen te kunnen verplaatsen, … Maar één van de superkrachten die ik ook vaak hoor terugkomen is de gave om mensen met één aanraking helemaal te genezen.

Vandaag kregen we zowel in de eerste lezing als in het evangelie zo’n genezingsverhaal te horen. Ook al worden veel van die verhalen vaak wat weggerelativeerd als symbolische voorstellingen, toch blijven ze tot de verbeelding spreken. Het is duidelijk dat de mensen die in Jezus’ omgeving leefden, zijn aanwezigheid en optreden als helend en zelfs levengevend ervaren hebben. De profeet Jesaja kondigde het al aan als één van de tekens dat de Messias onder het volk zou zijn: blinden zullen zien, doven horen, melaatsen worden gereinigd en doden staan op. En ook Jezus antwoordde aan de leerlingen van Johannes deze tekenen, wanneer hij hen vanuit de gevangenis naar Hem toestuurde met de vraag of Jezus de Komende was, of dat ze een ander te verwachten hadden.

We zien in de genezings- en opwekkingsverhalen een bezorgde en bekommerde Jezus, die zich laat raken door het leed van de zieken of het verdriet van de nabestaanden. Vooral wanneer een kind of zijn vriend Lazarus gestorven zijn, toont Hij zich emotioneel betrokken. Het eerste dat Hij doet is de rouwenden geruststellen: ween niet, wees niet verdrietig, heb geloof, heb vertrouwen.

Zoals bij de genezing van het dochtertje van Jaïrus, is de genezing van de jongeman in Naïm de hele doden-kermis al op gang: met veel misbaar wordt gerouwd om een kind. De hoop op de toekomst heeft een knauw gekregen.

Vooral bij wat Lucas ons vandaag verhaalt is dat radeloze gevoel sterk: de enige zoon van een weduwe sterft. Al haar hoop op een nageslacht, maar ook op toekomstig levensonderhoud dank zij de vruchten van zijn arbeid, vallen weg. Jezus geeft zowel de jongen als zijn moeder weer een toekomst.

Vandaag kunnen ook wij naar zulke verhalen luisteren. En dan halen we misschien onze schouders op en zeggen: ‘Zoiets kan ik toch niet.’ En in zekere zin is dat wel realistisch. Maar aan de andere kant kunnen we toch weer wél iets doen dat ongetwijfeld een positieve evolutie zal betekenen in het leven van zieken en rouwenden. Ook al missen we misschien de superkracht van onmiddellijke genezing, er zijn ons enkele andere superkrachten gegeven, die we vaak sterk onderschatten en ook onderbenut laten.

We kunnen door onze aanwezigheid, ons gezelschap, onze aandacht een teken van Gods liefde zijn in het leven van wie ziek is of rouwt om het verlies van een nabije. Niet de grote theorieën of grootste gebaren, maar gewoon het geduld, de ruimte en de aanvaarding die we de andere aanbieden, kunnen al wonderen doen. Oog en oor hebben voor onze lijdende medemens vraagt vaak veel minder dan we vooraf vrezen. Het duurste dat we er in moeten investeren is tijd. En vooral als patiëntlief een eerder zagerig type is, vraagt het ook wat extra motivatie om regelmatig te gaan. We zijn vaak bang van de ellende, het deprimerende verhaal, de oeverloze herhalingen, het machteloze gevoel dat ons bekruipt, omdat we het gevoel hebben dat we iets moeten zeggen of doen en we weten niet wat.

Zieken of rouwenden bezoeken zijn werken van barmhartigheid, die zeker in dit jubeljaar van de goddelijke barmhartigheid even in het voetlicht geplaatst mogen worden. Niet iedereen heeft dat talent. Bepaalde basishoudingen en vingerwijzingen kan je ook leren, soms ook met vallen en opstaan, zoals zoveel dingen.

In het bisdom Antwerpen heeft men voor de zeven werken van barmhartigheid in de zeven collegiale kerken een bedevaartsroute uitgewerkt. De Sint Dimpnakerk in Geel is elke zondagnamiddag en dinsdagnamiddag geopend voor mensen die er voor zieken willen bidden. Er is ook de gelegenheid om in een kort en sfeervol moment de ziekenzalving te vieren. Zulke initiatieven zijn ook mooie momenten om onze verbondenheid met zieke medemensen te versterken.

Het zijn misschien geen spectaculaire genezingen die we er door verrichten, het is misschien geen superkracht zoals in de tekenfilms. Maar op een heel diep niveau blijft het toch een wonder dat in een wereld waar volgens sommigen het recht van de sterkste heerst, mensen door liefde en mededogen bewogen worden om elkaar bij te staan in hun strijd tegen een ziekte of hun omgaan met het verlies van een geliefde medemens.

Laten we God vandaag danken om die verbondenheid en dat stille vermogen om werkelijk een verschil te maken voor wie te lijden heeft. Want zo wil God doorheen onze handen en ons luisterend oor onze naasten nabij zijn.


Bezoekers:

  • 111,541 pageviews

Archief

Follow De blog van Vincent on WordPress.com

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Doe mee met 2.191 andere volgers


%d bloggers liken dit: