Homilie voor de 26e zondag door het jaar B


zaterdag 29 september 2018 – Sint-Trudokerk Meerhout

lezingen

Numeri 11, 25-29
Psalm 19
Jakobus 5,1-6
Marcus 9,38-43.45.47-48

homilie

Broeders en zusters, we gaan stilaan naar het einde van het kerkelijk jaar toe, en we voelen de grimmigheid in de toon van de evangelielezingen een beetje toenemen. De lezingen van de laatste zondagen van de tijd door het jaar spreken dikwijls over thema’s als oordeel, eindtijd, hemel en hel, zonde, enzovoort.

Heel vaak gaat het over keuzes maken, het verschil zien, toebehoren aan God of juist door Hem verworpen worden. Het zijn lezingen die ons uit onze zomerse dromen rukken en soms ronduit als een koude douche over ons heen komen. En misschien is dat wel een goede aanleiding om een soort herfstonderhoud voor onze geestelijke tuin te beginnen: de laatste oogsten binnen te halen en wat te snoeien in de wildgroei van ons geestelijk leven.

Het evangelie van deze zondag weerspiegelt de thema’s van de eerste én de tweede lezing. Dat is op zich enigszins toevallig, omdat de lezingen uit het nieuwe testament, momenteel uit de brief van Jakobus, gewoon een aantal zondagen na elkaar verder loopt, zonder thematisch per se op de eerste lezing en het evangelie aan te sluiten. Die twee zijn immer wél in elkaars verlengde gekozen, zodanig dat er altijd zo veel mogelijk een passende lezing uit het Oude Testament wordt voorgelezen voor de evangelielezing, die ook gewoon verder gaat en de belangrijkste passages van de evangelist van dat jaar (nu is dat Marcus) aan bod kunnen komen.

De eerste lezing en het evangelie hebben als gemeenschappelijk thema: “Er zijn er die niet bij ons horen, maar wel doen zoals wij. Mag dat wel?” Zowel bij Mozes als bij Jezus komen mensen klagen: “die daar doen hetzelfde, maar ze horen niet bij onze club. Dat klopt toch niet?“ En in beide gevallen is het antwoord: “Hoe meer, hoe liever!” Gods aanvaarding en liefde laat zich niet beperken door onze menselijke grenzen. Ook buiten onze geloofsgemeenschap zijn werkelijk goede en gelovige mensen te vinden. Ook wie niet op dezelfde manier denkt en bidt als wij, kan voor God een rechtvaardige zijn. Ook wie zich niet rechtstreeks aansluit bij Jezus, maar wél met vertrouwen op zijn Naam bidt voor gekwelde medemensen, zullen verhoord worden. Want Gods liefde laat zich niet door onze grenzen inperken. Wat kunnen wij met deze gedachten doen? Ze kunnen ons in de eerste plaats het hart openen voor mensen die op een andere manier geloven dan wij. Hadden in bepaalde periodes van de kerkgeschiedenis deze woorden maar wat duidelijker en luider geklonken. Dan had onze kerkgemeenschap zich niet zo vaak bezondigd aan het verwerpen, vervolgen en zelfs ter dood laten brengen van wie zij “ketters” noemde. Ook in onze tijd is er een groot risico dat we ons opsluiten in ons eigen gelijk en de rest van de wereld rondom ons diaboliseren.

Wij moeten niet bang zijn voor de ander, voor wie anders is, als we zelf stevig op onze voeten staan. We hoeven niet bang te zijn dat ons geloof zal breken, tenzij we er zelf onvoldoende in investeren. Dat is voor een stuk ook wat we uit de harde taal van de brief van Jakobus kunnen halen: waar investeren wij onze moeite en tijd in? In dingen die voorbij gaan, zoals kleding, geld of andere rijkdommen? Of stellen we in ons leven de juiste dingen boven het vergankelijke: onze relatie met God, onze rol in de geschiedenis, onze persoonlijke plaats en verantwoordelijkheid in de maatschappij en de kerkgemeenschap?

Dat is waar het tweede deel van de evangelielezing en de lezing uit de Jakobusbrief elkaar ontmoeten: het stellen van prioriteiten in ons leven. Sommigen onder u zullen misschien denken dat het voor verandering wat dat betreft nogal aan de late kant is. Maar dan vergist u zich: God geeft elk van ons de tijd om de juiste weg te vinden in haar of zijn leven. Maar Jezus houdt ons ook voor, in enigszins afschuwwekkende beelden, dat we daarbij soms harde keuzes moeten maken. Als één van onze zintuigen of ledematen ons voorgoed van God dreigt te scheiden, is het beter er afstand van te nemen, ja, het zelfs af te hakken, zodat we toch naar de hemel kunnen, in plaats van voor eeuwig Gods liefde af te wijzen, verblind en kreupel geslagen door de zonde.

De zonde waar het hier om gaat bij Jezus, is niet een dagdagelijkse misstap of nalatigheid, maar de fundamentele zonde bij uitstek: Gods liefde kennen en begrijpen, maar haar toch afwijzen en minachten. Vinden dat God voor jou niet goed genoeg is. Dat je beter af bent zonder God. Dat jij eigenlijk zélf God bent.

Die zonde wordt elders ook wel eens de zonde tegen de heilige Geest genoemd. Ze houdt ook in dat je alles wat Jezus is en geleerd heeft afwijst als een leugen. Zo wijs je dan eigenlijk je eigen verlossing af. Dan kies je, willens en wetens, tegen Gods liefde in. En die keuze is niet vrijblijvend. Ze is definitief. God strekt zijn handen uit naar elk van ons. En Hij is geduldig. Zijn aanbod is haast oneindig. Maar wie God afwijst en kiest voor de zonde, voor de vergankelijkheid, zal door haar worden opgeslokt. Zulk een mens wíl immers niet door God bemind worden. En dat is de enige manier om van God af te geraken. Alle andere breuken kunnen hersteld worden, zegt Jezus.

Zusters en broeders, laten we daarom dankbaar zijn voor Gods onvoorstelbaar grote en genadevolle liefde. Laten we Hem in deze viering danken en loven voor zijn grote barmhartigheid, die Hij ons getoond heeft in zijn Zoon. Laten we bidden dat de heilige Geest ons steeds weer de goede inspiratie geeft om Gods wegen te gaan en onze verbondenheid met de kerkgemeenschap te verdiepen. Dan zal Gods genade in ons leven zo overvloedig zijn, dat geen zonde of dood ons ooit nog van Hem kan scheiden.

Advertenties

HOMILIE VOOR DE 25E ZONDAG DOOR HET JAAR B


SINT JOZEF WERKMANKERK VEERLE-HEIDE – ZATERDAG 22 SEPTEMBER 2018

lezingen:
Wijsheid 2,12.17-20
Psalm 54
Jakobus 3,16-4,3
Marcus 9,30-37

homilie:

Broeders en zusters, vorige week hoorden we in het evangelie ook al een keer dat Jezus aan zijn leerlingen vertelde dat “de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.” Jezus voorspelt dat zijn weg naar Jeruzalem een weg naar het lijden en de dood is, maar dat na drie dagen het leven het laatste woord krijgt, niet de dood. En wederom begrijpen de leerlingen eigenlijk niet wat Hij zeggen wil, maar ze durven er niets meer over vragen. Vorige week ging Petrus er nog tegenin, maar die werd met harde woorden tot de orde geroepen. We moeten niet de hoogmoed hebben dat ons menselijke denken beter dan God weet hoe zijn boodschap in deze wereld moet klinken. Het is pas wanneer Jezus’ doodskreet aan het kruis geklonken heeft en wegsterft in de stilte van de avond van Goede Vrijdag, en na de droevige stilte van Stille Zaterdag, dat we kunnen begrijpen welke vreugde het leven van Pasen met zich meebrengt. Want alleen dàn kunnen we begrijpen dat Gods liefde tot het alleruiterste gaat. Jezus toont ons zijn liefde tot het uiterste: Hij is bereid om, goed beseffend dat dit de zwaarste en moeilijkste weg is, tot in Jeruzalem te gaan en daar te lijden en te sterven, om Gods onvoorwaardelijke liefde die zich door niets van z’n stuk laat brengen te tonen. Alleen door zo’n radicale en totale zelfgave kan het stugge hart van de mens opengebroken worden om ruimte te maken voor Gods heilige Geest. Alleen zo kon Jezus met heel zijn leven de profetieën en voorzeggingen in de Schrift helemaal vervullen. Dat was de wil van de Vader, Hij kón niet anders dan zo handelen, of Hij zou zijn identiteit als Zoon van God verloochenen.
En wat doen de leerlingen? Ze beginnen onder elkaar te discussiëren over wie nu eigenlijk de voornaamste is onder hen. Wie is de grootste, de belangrijkste, de machtigste? Wie mag er in het middelpunt van het heelal gaan staan en alles om zichzelf laten draaien? Wie verdient het meeste eer, de beste plaats, de grootste beloning?
Ik kan me voorstellen dat Jezus bij het horen daarvan moedeloos gezucht zou hebben. Jongens, jullie hebben het nog altijd niet begrepen. Jullie zien niet waar het écht om gaat. Er is er maar één die in het middelpunt hoort te zijn: God zelf. En wij mogen zijn uitverkoren kinderen zijn. En we tonen pas dat we begrijpen wat dit betekent als we elkaar dienen met het respect en de liefde die een uitverkoren kind van God toekomt.

Daarom zet Jezus een kind in het midden van de kring van zijn leerlingen en omarmt het. Hij kiest niet iemand die door allerlei bewonderenswaardige heldendaden of ontroerende edelmoedigheid het respect van de mensen “verdiend” heeft. We spreken soms nog wel eens over “uwen hemel verdienen”, maar Jezus laat hier juist zien dat de redenering ondersteboven hoort te staan: we “verdienen” de hemel niet, maar hij wordt ons geschonken. En ons antwoord op dat geschenk zou moeten zijn dat we onze medemensen, mannen en vrouwen, gelovigen en niet-gelovigen, binnen- en buitenlanders, rijken en armen, domme en slimme mensen, lieve mensen en rotzakken, lelijke en mooie mensen, – állemaal! – moeten beschouwen als het middelpunt van onze wereld, als een levend teken van Gods aanwezigheid. Want wie een kind van God opneemt in Jezus’ naam, neemt Jezus zelf op. We moeten niet van onze medemensen houden omdat ze onze liefde verdiend hebben, maar omdat ze onze medemensen zijn. Juist wie het het minst lijkt te verdienen, heeft onze liefde (en dóór onze liefde ook de liefde van God) het hardste nodig.
En wie Jezus ontvangt, ontvangt niet enkel Jezus, maar God zelf, die Hem gezonden heeft. Wij hebben zonet de woorden van Jezus met onze oren ontvangen. Straks mogen wij delen in zijn lichaam door de gaven van de eucharistie. Zo nemen we Jezus op in onszelf, in ons leven, in wie we zijn en zouden willen zijn voor God. Moge dat voedsel voor ons hart en onze ziel ons steeds dichter brengen bij het werkelijke middelpunt van alles dat bestaat, bij God, die ons zo zeer bemint. Amen.

Homilie voor de 24e zondag door het jaar B


zondag 16 september 2018
OLV van de Wijngaardkerk te Veerle

lezingen:
Jesaja 50,5-9a
Psalm 116
Jakobus 2,14-18
Marcus 8,27-35

homilie:

“Wie ben Ik, volgens jou?”, “Wat beteken ik voor jou?”, “Wie ben jij zelf?”, “Ben jij een christen, een volgeling van Jezus?”, “Waar kan ik dat aan merken?”.

Beminde broeders en zusters, deze vragen zijn gemakkelijk gesteld, maar helemaal niet zo eenvoudig te beantwoorden. Ze vormen de verbinding tussen de drie lezingen en de psalm die we zonet gehoord hebben.

In de recente Pano-reportage over de jongerenbeweging Schild & Vrienden kwam regelmatig de term “identitair” of “identitarisme” voor. Dit zijn relatief nieuwe begrippen, ontstaan rond het jaar 2002. Het gaat om bewegingen en groeperingen die vanuit een grote verontwaardiging en een gevoel van bedreigd te zijn in hun eigen, nationale identiteit, zich verzetten tegen alles wat hun eigen cultuur dreigt te beïnvloeden of overstemmen. Het is een stroming die van in de kern xenofoob is, vooral islamofoob en anti-immigratie. Hun taal- en symboolgebruik is ruw en ongenuanceerd, populistisch en vaak zelfs onverdund racistisch en denigrerend tegenover alles en iedereen die anders zijn dan zij.
Hun antwoord op “Wie zijn wij?”, legt de nadruk op het feit dat ze hun eigen identiteit moeten verdedigen en beschermen. Ze benadrukken bepaalde waarden en normen, samenlevingsmodellen en een bepaalde volksaard, die vaak eerder nostalgisch en onrealistisch positief wordt voorgesteld. Zij zijn “de goeden”, de anderen zijn “de slechten, de gedegenereerden“ of zelfs “het afval en het uitschot”.

Wat heeft dat met de lezingen van vandaag te maken? Misschien meer dan u op het eerste gehoor zou denken. Want in deze lezingen wordt beschreven wie de goede en vrome gelovige is. Wie een werkelijke dienaar van de Heer God is en waaraan je haar of hem kunt herkennen.

In de lezing uit de profeet Jesaja bespeur ik eigenschappen als vastberadenheid, onverschrokkenheid, vertrouwen op God en geweldloosheid, zelfs wanneer hij door zijn vijanden wordt geslagen en bespuwd.
In de antwoordpsalm werd dat Godsvertrouwen nogmaals benadrukt en verdiept: vanuit vroegere ervaringen waarbij God de psalmist heeft beluisterd en geholpen, is het vertrouwen in God uitgegroeid tot een diepe liefde.
Bij de brief van de heilige apostel Jakobus worden geloof en daden van geloof tegenover elkaar uitgespeeld: waaraan kan je het gemakkelijkste zien of iemand gelovig is? Door van iemand te horen wanneer hij of zij zegt een gelovige te zijn? Of door naar iemands daden te kijken? Volgens Jakobus is het geloof op zichzelf, zonder zich in daden te uiten, dood. Want als je werkelijk gelooft, als je werkelijk aandacht en openheid hebt voor Gods liefde, voor de geboden van Gods verbond, dan kán je niet anders dan die ook in de praktijk te brengen door je daden. Iemand die beweert diepgelovig te zijn, maar gevoelloos voorbij een medemens in nood kan wandelen (denk maar aan de parabel van de barmhartige Samaritaan), bewijst door zijn daden geen groot geloof te hebben.

En zo komen we bij Jezus. Hij vraagt aan zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” En die vertellen Hem dat Hij vergeleken wordt met grote profetische figuren als Johannes de Doper (die door Herodes onthoofd was) of de grote profeet Elia. In Jezus’ woorden en daden zien de mensen God aan het werk.
Maar dan richt Jezus dezelfde prangende vraag tot zijn eigen leerlingen: “En wat zeggen jullie zélf?” Waarop Petrus Jezus benoemt met dé naam die alles samenvat wat Hij voor de heilsgeschiedenis zal betekenen: “Gij zijt Christus.” Dat wil zeggen: Gij zijt de door God gezalfde, de redder, de uitverkorene die ons volk en de hele mensheid met God zult verzoenen. En Jezus ontkent dat niet, maar legt zijn leerlingen op daar over te zwijgen. Hij wilde door de mensen niet verkeerd begrepen worden en tot een politieke figuur uitgeroepen worden.
En tenslotte geeft Jezus een beschrijving van wie zijn leerling kan zijn: wie bereid is zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen, kan Hem volgen. Zichzelf “verloochenen” kan je hertalen als “niet meer aan jezelf denken”, maar alles op alles zetten om Jezus’ boodschap te kennen, mee te dragen, te verkondigen en te beleven.

Wie zijn leven probeert te redden, zal het verliezen. Want dan sluit hij zich af voor wat van buitenaf kan komen en juist verrijking en redding kan betekenen. Wie uit angst voor het nieuwe en het vreemde de poort van zijn hart sluit, sluit haar ook voor God. En verliest zo de bron van het leven.
En wie zijn leven verliest omwille van Jezus en het Evangelie, zal het redden. Want wie, net zoals Jezus, tot het uiterste gaat om de liefde te volgen, waar te maken en te verkondigen, zal door God en de mensen erkend en herkend worden als een ware volgeling van Jezus.

De ware christelijke identiteit is er niet één van navelstaarderij of agressief alles wat vreemd is buiten de muren van de stad proberen te houden. Het is een houding van liefdevolle openheid, waarin we vertrouwen op Gods goedheid, die we ook in onze medemensen kunnen en zullen ondervinden.

Onze samenleving heeft geen identitarisme nodig om onze culturele, religieuze, morele en humane rijkdommen te beschermen. Ze heeft het liefdevolle en rustige vertrouwen nodig dat onze samenleving zowel moreel als menselijk gezien sterk genoeg is om het goede te behouden en ons door het waardevolle van buitenaf te laten inspireren.

“Wie ben jij zelf? Ben je een christen? Kunnen mensen dat aan je merken Ben je een volgeling van Jezus? Of ben je alleen maar bang dat iets of iemand die anders is jou van God en jezelf los kan maken?” En hoe sterk is dan eigenlijk onze band met God wel? Dat zijn de vragen waar we deze week allemaal eens bij kunnen stilstaan.

Homilie voor de 23e zondag door het jaar B


zaterdag 8 september 2018 Sint Niklaaskerk Klein-Vorst en Sint Jozef Werkman Veerle-Heide 

zondag 9 september 2018 Sint Lambertus Eindhout en Abdijkerk Averbode

lezingen:
Jesaja 35,4-7a
Psalm 146
Jakobus 2,1-5
Marcus 7,31-37

homilie:

Iedereen was diep onder de indruk. Ze zeiden: “Alles wat Jezus doet, is geweldig. Hij kan zelfs mensen helpen die niet kunnen horen of praten.” Zo klinkt de laatste zin van de evangelielezing van deze zondag in een andere vertaling. Jezus wordt door de mensen als een wonderlijke weldoener ervaren. Hij is voor mensen die door welke reden dan ook doof en stom zijn een genezer, iemand die hen weer heelt. En de mensen die het zien staan met verstomming geslagen, maar ze zijn op hun beurt dan weer doof voor Jezus’ aanmaning om het niet verder te vertellen.

Als we iemand onsympathiek of dom vinden, noemen we die persoon ook wel eens stom. En zelf zijn we misschien wel eens bewust doof voor mensen die ons ergeren, vervelen of storen in wat we zelf van plan waren.

We kunnen dat genezingsverhaal daarom ook zonder veel moeite toepassen op onszelf. Bij het doopsel worden de oren en de mond van de pasgedoopt kind aangeraakt met de woorden: “Onze Heer Jezus Christus opende de oren van wie niet horen kon, Hij maakte de tong los van wie niet kon spreken. Moge Hij u geven, dat gij het horen en spreken spoedig machtig zijt: dan zult gij luisteren naar zijn woord en uw geloof in Hem belijden tot lof en eer van God de Vader.”

We hebben onze oren en onze mond dus niet voor niks gekregen. Ze hebben een plaats in de opbouw van het Rijk Gods en zijn sleutelinstrumenten in onze relatie met God. Het eerste gebod dat aan het volk Israël gegeven wordt luidt ook: “Luister Israël, Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel, met al uw krachten en met heel uw verstand.” Luister! Daar begint het mee. Daarom ook dat Jezus eerst de oren van de man geneest en daarna pas zijn mond. Want hoe zouden we van de Heer kunnen spreken, als we niet eerst zijn Woord gehoord hebben? Zijn Woord was eerst, was ons voor. Het is op zijn Woord dat de apostelen hun werk en thuis achtergelaten hebben om Jezus te volgen en zijn verkondiging te beluisteren. En pas daarna worden ze door Jezus zelf uitgezonden om het evangelie te prediken.

Ook in onze omgang met onze medemensen zou dat steeds de volgorde moeten zijn: eerst luisteren. Echt luisteren, met al onze zintuigen. Hoe weinig maken we daar eigenlijk nog tijd voor? Terwijl er zo veel nood is aan luisterende oren. Veel mensen hebben niet zozeer behoefte aan iemand die hen de oplossing in de handen drukt, maar aan iemand die onbevangen, onbevooroordeeld en zonder oordelen luistert, het verhaal aan het woord laat komen en zo ruimte schept om echt te bestaan, om er echt te mogen zijn.

Misschien is dat wel de doofheid die doorbroken moet worden. De doofheid waar Jesaja het over heeft, maar waar Jakobus in de tweede lezing ook naar verwijst: als je alleen maar oren hebt naar de rijke of succesvolle mensen, maar doof bent voor de arme of gemarginaliseerde medegelovigen, begaat een vorm van diep onchristelijke kwaadaardigheid, schrijft hij.

Laten we dan, na onze oren geopend te hebben voor het Woord van de Heer, zoals het bij ons doopsel klonk, onze mond openen om ons geloof in de Heer Jezus te belijden, tot lof en eer van God de Vader.

Homilie voor de 22e zondag door het jaar B


Zondag 2 september 2018 – Sint Lambertuskerk Eindhout en Sint Gertrudiskerk Vorst (Laakdal)

lezingen:
Deuteronomium 4,1-2.6-8
Jakobus 1,17-18.21b-22.27
Marcus 7,1-8.14-15.21-23

homilie:

Broeders en zusters, de zomer is voorbij en dat kunnen we zelfs merken aan de evangelielezingen van de zondagen in dit Marcusjaar. We hebben vijf zondagen na elkaar een uitstapje gemaakt naar het Johannesevangelie met wat men de “Broodrede” is gaan noemen.

Nu nemen we in het zevende hoofdstuk van Marcus de draad weer op. En zoals u hoorde, zit het er al meteen bovenarms op tussen Jezus en de Farizeeën en Schriftgeleerden uit Jeruzalem. Om de evangelielezing niet te lang te maken hebben de samenstellers van het lezingenrooster er enkele verzen uit geknipt. Die zou ik vandaag toch even willen voorlezen. In de weekdagvieringen van de 5e week door het jaar worden die namelijk wel voorgelezen.

Jezus citeert eerst de profeet Jesaja: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren.

En dan vervolgt Jezus: Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan de overlevering van mensen: kruiken en bekers afwassen en meer van dergelijke dingen doet ge. Het is fraai, vervolgde Hij, dat gij het gebod van God buiten werking stelt om uw overlevering te handhaven! Mozes heeft immers gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven. En toch leert gij: Als iemand tot zijn vader of moeder zegt: alles waarmee ik u zou kunnen helpen, is Korban, dat betekent: offergave, dan staat ge hem niet meer toe iets voor zijn vader of moeder te doen. Zo maakt ge het woord Gods krachteloos ten gunste van uw overlevering die gij doorgeeft. En ge doet meer van dergelijke dingen.

Zonder meer straffe taal, die zijn toehoorders behoorlijk pittig in de oren geklonken moet hebben. Het was inderdaad zo (en in sommige opzichten is dat nog steeds zo) dat binnen het jodendom gebruiken en overleveringen ontstaan zijn, die voor tegenstrijdigheden zorgden tussen verschillende wetten en regels. De zeer traditionele joden houden zich niet gewoon aan de joodse wet, maar hebben er een heel stelsel van gewoonten en regels rond gebouwd, om toch maar zeker niet één van de minste regeltjes te overtreden.

Jezus reageert tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden, die ook dergelijke dingen deden, dat ze hiermee de geest van de wet hebben bedolven onder letters en gewoonten. Jezus zegt niet dat ze de Wet overboord moeten gooien. Maar dat ze terug moeten gaan naar waar het allemaal eigenlijk om gaat. Dat is ook wat Mozes aan het volk voorhoudt: voeg niets toe, laat niets weg. Blijf trouw aan het verbond zoals jullie dat nu met de Heer God hebben gesloten en dan zal het jullie goed gaan.

Wij kunnen op deze zondagochtend diezelfde woorden beluisteren en denken “tsja, die joden… ze hebben het niet begrepen.” Maar Jezus’ woorden zijn evengoed naar onszelf toe gericht. Houden wij ons aan de kern van de zaak, of dwalen wij ook af door vooral aandacht te schenken aan bijzaken. Volgen we Jezus en het evangelie, of laten we onze aandacht door bijgekomen tradities (die op zich niet per se slecht zijn) afleiden?

Al van in de vroege eeuwen ontstaat het fenomeen van volksdevotie. Naast de gemeenschappelijke (of als u wil “officiële”) eredienst van de kerkgemeenschap beginnen mensen ook laagdrempeligere vormen van godsdienstbeleving te onderhouden. Op zich is daar niets fout aan. Maar velen onder jullie herinneren zich zeker nog de tijd dat tijdens de Latijnse mis de mensen in de kerk de Rozenkrans zaten te bidden. Met andere woorden: wanneer het over Jezus ging vooraan in de kerk, ging het op de kerkstoelen over Maria. Dat kan je niet echt meer “samen bidden met de priester” noemen.

Natuurlijk is de Rozenkrans een bijzonder zinvolle en inspirerende gebedsvorm. Maar als we die in de plaats van de Bijbel, vooral van het evangelie en het gebed van de hele kerkgemeenschap stellen, verliezen we onze focus op de kern van de zaak.

Dat was en is niet alleen zo bij gebed en eredienst. Dat merk je vaak ook nog op moreel vlak. En daar zijn de kerkleiders van de negentiende en twintigste eeuw behoorlijk schuldig aan. Ook al was het misschien met de beste bedoelingen en is het niet eerlijk van mij om ze met een éénentwintigste-eeuwse bril te beoordelen: de overdreven nadruk die er in de verkondiging en in de biechtstoel gelegd werd op alles wat met het zesde en negende gebod, alles wat met seksualiteit, intimiteit, gezinsplanning en dergelijke te maken had heeft ons als geloofsgemeenschap compleet vervreemd van het prachtige en bevrijdende sacrament van de verzoening. En als je daar de schandalen die de voorbije tien jaar in de media zijn uitgebarsten rond seksueel en ander misbruik door kerkelijke ambtsdragers naast legt, is het helemáál niet te verbazen dat de Paus en de bisschoppen en bij uitbreiding de priesters en diakens bij het gelovige volk elke geloofwaardigheid of moreel gezag verloren hebben.

Beminde broeders en zusters, ik ben maar een gewone priester, die samen met u ziet en hoort wat er in de kerk, maar ook in de families, sportclubs en scholen en elders gebeurt. En ik sta machteloos tegenover zo veel onnoemelijk leed en onrecht dat onschuldige, kwetsbare mensen is aangedaan. Naar mijn mening zou de Kerk uit eerlijke schaamte een jaar of tien over die onderwerpen moeten zwijgen. En vooral het verwijtende vingertje voorgoed wegsteken.

Naar aanleiding van de lezingen van deze zondag is mijn pleidooi dan ook, en mijn uitnodiging naar u allemaal, om terug te gaan naar die bron, naar Jezus zelf, naar wat volgens Hem de echte weg naar God is: de liefde, de barmhartigheid, de aandacht voor wie zwak, gekwetst, verwaarloosd, eenzaam, arm of verdrietig is.

Uit onze daden zullen we kunnen laten blijken hoe dicht we nog of al bij het evangelie leven. Dan zal Jezus hopelijk niet over ons moeten zeggen: ’t is fraai wat ge allemaal doet, maar ge duwt Gods wet opzij om uw eigen tradities en gewoontes in het midden te plaatsen.

Moge Gods Geest ons daarbij de wijsheid en moed schenken om het goede te doen. Amen.

 

Homilie voor de 21e zondag door het jaar B


Kerk Sint-Jozef Werkman Veerle-Heide zaterdag 25 augustus 2018
Sint Gertrudisparochie Vorst zondag 26 augustus 2018

De lezingen van deze zondag kregen door een (mijns inziens nogal onredelijke en slecht geïnformeerde) groep mensen via de sociale media zeer veel (negatieve) aandacht. Het gaat vooral om de lezing uit Efeziërs 5. Zonder dat te kunnen voorzien, heb ik bij het voorbereiden van mijn homilie zelf ook wel de noodzaak gezien hier de nodige duiding en actualisering aan te bieden. Ik raad in deze absoluut ook de vergelijking van het lectionarium met de Bijbel in gewone taal aan, die wat de Paulusbrieven betreft een zeer eerlijke, maar ook meer correcte taal gebruikt.

Lezingen:
Jozua 21,1-2a.15-17.18b
Psalm 34
Efeziërs 5,21-32
Johannes 6,60-69

Homilie

Broeders en zusters, als u de voorbije weken naar de weekendvieringen bent gekomen, zal het u misschien opgevallen zijn dat Jezus het in het evangelie de hele tijd had over het brood dat uit de hemel neerdaalt en dat zijn eigen lichaam dat voedsel is voor het eeuwige leven. Het is vertrekkende vanuit die uitspraken dat de evangelielezing van deze zondag opent met de reacties van veel van Jezus’ leerlingen. Ze beginnen te protesteren: “dit gaat te ver! Wie kan hier nog naar luisteren?” En wanneer Jezus dan aangeeft dat ze het toppunt nog helemaal niet gehoord of gezien hebben, en bovendien toevoegt dat er sommigen onder hen zijn die niet geloven, is de maat vol. Veel leerlingen gaan weg en volgen hem niet langer meer.

Deze groep leerlingen is de brede groep mensen, mannen en vrouwen, die Jezus spontaan gevolgd zijn omwille van zijn prediking, zijn wondertekens of gewoon omdat veel anderen achter hem aan liepen.

Maar dan richt Jezus zich tot de Twaalf, de leerlingen die Hij zélf heeft uitgekozen en stelt de confronterende vraag: “Wilt ook Gij soms weggaan?”

Wie goed naar de eerste lezing heeft geluisterd, zal merken dat Mozes aan het volk een soortgelijke vraag stelt: “Wie willen jullie dienen? De goden van jullie voorouders, de goden van dit land of de Heer, die ons uit Egypte heeft bevrijd?” En het volk antwoordt met grote stelligheid: “Wij willen de Heer dienen, Hij is onze God!” Het vervolg van de geschiedenis in de Bijbel leert ons hoe ontrouw ze daar vaak aan geweest zijn. De relatie tussen God en zijn volk is turbulent, met veel breukmomenten, teleurstelling, woede, verdriet, maar uiteindelijk ook verzoening, vergiffenis en herstel van de liefdesband.

Wanneer Jezus ziet dat er veel mensen er de brui aan geven, keert Hij zich tot zijn belangrijkste, uitverkoren leerlingen: wat willen jullie doen?  Het antwoord van Simon Petrus is een diepe geloofsbelijdenis, waar ook veel gevoel in zit: “Heer, naar wie zouden we gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.” Met andere woorden: “Heer Jezus, na alles wat we samen beleefd hebben en wat Gij ons geleerd hebt, kúnnen we niet anders dan bij U te blijven. Want Gij zijt de Weg, Gij zijt ons leven.”

Wanneer ik jullie allen na de homilie uitnodig om op te staan om samen ons geloof te belijden, stel ik jullie dezelfde vraag als Mozes en Jezus. Het is geen uitnodiging om een tekstje af te dreunen, zonder er bij na te denken. Het is een belijdenis, een verbintenis, een getuigenis dat we afleggen van onze overtuiging, ook al is dat soms een weg van zoeken en twijfelen. We stellen ons in de lange geschiedenis van zo veel christenen die deze geloofsbelijdenis ook hebben uitgesproken en daarmee hebben bevestigd: “Wij volgen de Heer, wij geloven in Jezus, wij willen door de heilige Geest bezield samen gemeenschap vormen in de Kerk.”

De tweede lezing van deze zondag wordt door veel mensen niet helemaal onterecht als één van de minst sympathieke bladzijden van de brieven van Paulus beluisterd. Zijn boodschap was gericht aan de christenen in Efese in de eerste eeuw. Dat mogen we niet uit het oog verliezen. Maar we mogen het kind ook niet met het badwater weggooien. Want in die schijnbaar vrouwonvriendelijke uitspraken, die natuurlijk nog helemaal niet de emancipatie en gelijkwaardigheid van man en vrouw in de twintigste en eenentwintigste eeuw konden voorzien of naar waarde schatten, schuilen drie beelden die ik enorm zinvol en belangrijk vind.

Ten eerste vraagt Paulus aan allen om elkaars gezag uit eerbied voor Christus te aanvaarden. In een andere Bijbelvertaling staat de zin omgekeerd geschikt: Vrouwen, jullie zijn gehoorzaam aan Christus. Wees daarom ook gehoorzaam aan je man. Want een man geef leiding aan zijn vrouw, zoals Christus, onze redder, leiding geeft aan de kerk. De gehoorzaamheid en het gezag waar het hier om gaat, is niet die van een slaafse volgzaamheid of een dominante tirannie. Het gaat om de diepe liefdevolle zorg, zoals Jezus Christus zelf voor ons, zijn Kerk zorgt.

En zo klinkt het ten tweede ook wanneer Paulus de mannen aanspreekt: houd van je vrouw als van je eigen lichaam, net zoals Christus van zijn lichaam, de Kerk, houdt en er voor zorgt. Wederom een zorgende liefde.

Ten derde is er dat magnifieke beeld van de huwelijksrelatie als beeld van de band tussen Christus en de Kerk. Wanneer we een huwelijksviering meemaken in onze parochies, kunnen we in de liefde van het bruidspaar ontdekken hoe veel God van ons houdt. Daarom wordt het huwelijk ook als een sacrament beschouwd: je kan er God tastbaar en zichtbaar aan het werk weten, als je met de ogen van het geloof kijkt.

Zo wil God ook tastbaar en voelbaar in ons midden zijn in de gaven van de eucharistie, het Lichaam en Bloed van Christus, dat Hij aan ons schenkt om voedsel te zijn op onze weg naar de Vader.

Homilie voor het hoogfeest van OLV Ten Hemelopneming


dinsdag 14 augustus 2018 – Sint Bavokerk Meerhout Zittaart
woensdag 15 augustus 2018 – Sint Engelbertus Diest Deurne

En Maria sprak: “Mijn hart prijst hoog de Heer. (…) Van heden af prijst elk geslacht mij zalig omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed, en heilig is zijn Naam.”

Broeders en zusters, vandaag vieren we het feest van de Tenhemelopneming van Maria. Zij werd door God naar haar aardse leven verwelkomd in de hemel. De evangelist Lucas legt haar in het Magnificat jubelende woorden in de mond: wie klein is maakt God groot, wie zich groot waant, wordt van de troon gehaald.

De eeuwen door is Maria vereerd als Moeder van God, voorspreekster voor ons in de hemel en als voorbeeld voor alle gelovigen in nederigheid, geloof en bereidwilligheid om de wil van de Heer te vervullen.

In onze tijd klinken deze laatste deugden misschien een beetje ouderwets en lijken ze haaks te staan op onze westerse waarden van trots mogen zijn op wie je bent, kritisch denken en vrijheid. Het lijkt bijna alsof God van ons vraagt dat we een soort slaafjes worden, zonder eigen ideeën en plannen, zonder eigen wil.

Maar wie goed de woorden van Maria’s lofzang beluistert, kan er leren dat het om iets anders gaat.

We kunnen God niet groter maken door onszelf in het stof te werpen. Daar verandert God niet door. En Hij heeft ons ook niet gemaakt om als miezerige wormpjes door het stof te kruipen. Maria’s lofzang vangt aan met de woorden: “Mijn hart prijst hoog de Heer.” of zoals een andere vertaling het uitdrukt: “Hoog verheft nu mijn ziel de Heer.” God wordt groter of toch tenminste groter geacht, wanneer wij Hem de hoogte in prijzen. Wanneer we God loven en eer bewijzen, wordt het voor anderen duidelijk hoe groot God volgens ons is.

Geloven wil niet zeggen dat we alles maar klakkeloos aannemen. Natuurlijk, er is niet voor alles bewijs te vinden. Er wordt van ons inderdaad een sprong gevraagd, een gedurfde stap van niet geloven naar gelovig vertrouwen. Maar dat vertrouwen schakelt onze plicht tot ernstig en kritisch denken niet uit. Een goede gelovige is iemand die met openheid luistert, maar er daarna ook verder over nadenkt, net zoals Maria, die, zo vertelt ons het evangelie, alles wat over Jezus gezegd werd in haar hart bewaarde en bij zichzelf overwoog. Een goede gelovige is niet per se iemand die met rotsvaste zekerheid alles aanneemt wat de Schrift, de traditie en de Kerk ons aanbieden. Het is evengoed iemand die durft en mag twijfelen, mag zoeken en bij momenten mag verdwalen in alle mogelijke antwoorden.

Bereid zijn om de wil van de Heer te vervullen betekent dat we op zoek willen gaan naar Gods droom, Gods plan voor deze wereld. Wij, als uitverkoren deel van de schepping, die zijn Naam mochten kennen, die dankzij Jezus hebben mogen zien en horen hoe liefdevol God met ons wil omgaan, hebben de roeping om telkens weer op zoek te gaan naar het antwoord op de vraag “Wat zou God nu willen?” Of anders geformuleerd “Welke keuze of welk antwoord sluit het beste aan bij de Liefde die Jezus ons is komen verkondigen?”

Als we zo leven, in eerbied voor Gods grootheid, met een open geloof en in bereidwilligheid om Gods wil te zoeken en te volbrengen, dan mogen we, denk ik, er op vertrouwen dat er voor ons, net zoals voor Maria, een plaats zal zijn in de Hemel, waar we mogen thuiskomen bij God.


Bezoekers:

  • 116.879 pageviews

Archief

Follow De blog van Vincent on WordPress.com

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Doe mee met 211 andere volgers

Advertenties

%d bloggers liken dit: